ECLI:NL:GHSHE:2026:667

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
23/1195 en 23/1196
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:68 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:228 BWArt. 7:900 BWWet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak over looncorrecties en zorgkosten in inkomstenbelasting 2017-2018

Belanghebbende betwistte de door de inspecteur opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2017 en 2018. Voor 2017 ging het vooral om correcties op het loon en de afwijzing van aftrek voor specifieke zorgkosten. Voor 2018 was er een vaststellingsovereenkomst tussen partijen over de looncorrecties.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor 2017 en ongegrond voor 2018. In hoger beroep bevestigt het hof dat de inspecteur terecht uitgaat van de op de jaaropgaven vermelde lonen en dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd voor een lager loon of de aftrek van zorgkosten. De vaststellingsovereenkomst over 2018 wordt als rechtsgeldig beoordeeld, zonder aanwijzingen voor dwaling of wilsgebrek.

Het hof wijst verzoeken om uitstel en heropening van het onderzoek af, onder meer omdat de processtukken tijdig beschikbaar waren en de communicatiefout met het e-mailadres geen schending van het hoor- en wederhoorprincipe opleverde. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank over de looncorrecties en zorgkosten voor 2017 en 2018.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1195 en 23/1196
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 juli 2023, nummers BRE 22/397 en 22/2419 [1] , in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2017 (IB/PVV) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.1.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2018 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor het jaar 2017 en ongegrond voor het jaar 2018.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Op 2 februari 2026 is bij het hof een brief van belanghebbende binnengekomen, waarin hij verzoekt om heropening van het onderzoek. Het hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.2. en 4.3 vermelde gronden afgewezen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is de enige bestuurder van [stichting] ( [stichting] ).
2.2.
[stichting] houdt alle aandelen in [BV 1] ( [BV 1] ). [BV 1] is op haar beurt middellijk aandeelhouder in [BV 2] ( [BV 2] ).
2.3.
Belanghebbende genoot in de onderhavige jaren loon van [BV 1] en [BV 2] .
2.4.
[BV 1] en [BV 2] hebben in de aangiften loonheffingen het loon van belanghebbende en de daarop ingehouden loonheffing als volgt vermeld:
Jaar 2017
Jaar 2018
Inhoudingsplichtige
Loon
Loonheffing
Loon
Loonheffing
[BV 1]
€ 98.611
€ 42.911
€ 98.797
€ 42.836
[BV 2]
€ 11.160
€ 4.094
€ 11.664
€ 4.263
Deze bedragen worden ook genoemd in de jaaropgaven die belanghebbende van deze vennootschappen heeft ontvangen.
2.5.
Belanghebbende heeft voor de jaren 2017 en 2018 aangifte IB/PVV gedaan, waarin hij de volgende looninkomsten en daarop ingehouden loonheffingen heeft verantwoord:
Jaar 2017
Jaar 2018
Werkgever
Loon
Loonheffing
Loon
Loonheffing
[BV 1]
€ 88.099
€ 42.912
€ 85.340
€ 42.836
[BV 2]
€ 8.460
€ 4.094
€ 6.729
€ 4.263
2.6.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 een aftrek van specifieke zorgkosten geclaimd van € 3.222. Volgens de aangiften bedraagt het belastbare inkomen uit werk en woning voor de jaren 2017 en 2018 € 89.854 respectievelijk € 88.183.
2.7.
De inspecteur is bij de aanslagregeling van de aangifte IB/PVV 2017 afgeweken. Hij heeft het belastbare inkomen uit werk en woning verhoogd tot € 106.288. Deze verhoging bestaat uit de correctie van de (bruto)looninkomsten met € 13.212 – het verschil tussen het loon dat is vermeld op de jaaropgaven (€ 98.611 + 11.160 = € 109.771) en het aangegeven loon (€ 88.099 + € 8.460 = € 96.559) – en het niet accepteren van aftrek van specifieke zorgkosten van € 3.222.
2.8.
De inspecteur is ook van de aangifte IB/PVV 2018 afgeweken en heeft daarbij het belastbare inkomen uit werk en woning met € 18.392 verhoogd tot € 106.575. Deze verhoging bestaat uit de correctie van de (bruto)looninkomsten – het verschil tussen het loon dat is vermeld op de jaaropgaven (€ 98.797 + 11.664 = € 110.461) en het aangegeven loon (€ 85.340 + € 6.729 = € 92.069).
2.9.
[BV 1] heeft in de aangifte vennootschapsbelasting voor de jaren 2017 en 2018 loonkosten in aanmerking genomen van € 98.780 respectievelijk € 83.112.
2.10. [BV 2] heeft in de aangifte vennootschapsbelasting voor de jaren 2017 en 2018 loonkosten in aanmerking genomen van € 21.907 respectievelijk € 6.619.
2.11.
In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank is het volgende opgenomen:
“De inspecteur verklaart:
(…)
We kunnen wel een toezegging voor het jaar 2018 doen dat de vennootschap extra lasten in aanmerking mag nemen.
De rechtbank houdt de gemachtigde het volgende voor:
Voor het jaar 2018 stelt belanghebbende dat zijn salaris lager is, maar enig bewijs daarvoor is er niet. Een mogelijkheid is dat belanghebbende wel het loon heeft genoten, maar dat is vergeten af te trekken in de betreffende vennootschap. De inspecteur is bereid de aanslag vennootschapsbelasting aan te passen door extra loonkosten in aftrek toe te laten. De vraag aan u is, gaat belanghebbende daarmee akkoord. U wordt in de gelegenheid gesteld om (…) in overleg te gaan met belanghebbende.
De gemachtigde verlaat de zittingszaal voor telefonisch overleg met belanghebbende.
De gemachtigde komt de zittingszaal weer in en verklaart:
Belanghebbende is akkoord.
(…)
De inspecteur verklaart:
Voor alle duidelijkheid met betrekking tot het jaar 2018. Het verschil tussen dat wat in de aangiften loonheffingen als loon is opgegeven en dat wat in de aangiften vennootschapsbelasting als loon is afgetrokken, geldt als meer aftrek in de aangiften vennootschapsbelasting. Dus voor [BV 1] dient het verschil tussen € 98.797 en € 83.112 nog in mindering te komen in de aangifte vennootschapsbelasting.
De rechtbank houdt de inspecteur voor dat dat ook voor [BV 2] geldt, dus het verschil tussen € 11.664 en € 6.619 dient ook in mindering te worden gebracht in de aangifte vennootschapsbelasting.
De inspecteur beaamt dat.”
2.12.
De rechtbank heeft het beroep voor het jaar 2017 gegrond verklaard en vervolgens het bezwaar ongegrond. De rechtbank heeft het beroep voor het jaar 2018 ongegrond verklaard.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In hoger beroep is in geschil of de aanslag IB/PVV 2017 naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Daarnaast is in geschil of belanghebbende voor het jaar 2018 kan worden ontvangen in hoger beroep. Als dat het geval is, is in geschil of de aanslag IB/PVV 2018 naar een te hoog bedrag is vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslagen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank voor het jaar 2017 en niet-ontvankelijkverklaring dan wel ongegrondverklaring van het hoger beroep voor het jaar 2018.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
Verzoek om uitstel van de zitting
4.1.
Bij bericht dat op 19 januari 2026 bij het hof is ingekomen heeft belanghebbende verzocht om uitstel van de zitting van 30 januari 2026. Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen omdat die omstandigheden – door een combinatie van verdrietige en feestelijke familieomstandigheden en vakantie is belanghebbende onvoldoende in de gelegenheid om zijn standpunten met stukken te onderbouwen – niet gewichtig genoeg zijn om uitstel te verlenen van de behandeling van de zaken op zitting. Het hof heeft voorrang gegeven aan een efficiënte rechtsgang en heeft daarbij betrokken dat de uitspraak van de rechtbank is gedaan op 20 juli 2023 en belanghebbende reeds bij bericht van 7 november 2025 is uitgenodigd voor de zitting. [2] Tussen 20 juli 2023 en 19 januari 2026 is er alle gelegenheid geweest voor belanghebbende om zijn standpunten nader met stukken te onderbouwen.
Verzoek om heropening van het onderzoek
4.2.
Het hof merkt de onder 1.8 vermelde brief aan als een verzoek tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan omdat dat wat belanghebbende aanvoert niet kan leiden tot het oordeel dat het onderzoek op de zitting niet volledig is geweest. Belanghebbende klaagt erover dat op de zitting is komen vast te staan dat hij essentiële processtukken niet heeft ontvangen omdat het hof die stukken naar een foutief e-mailadres heeft verzonden.
4.3.
Op de zitting is de inhoud van de dossiers in hoger beroep geverifieerd. Daarnaast is op de zitting geconstateerd dat de notificatiemail over de afwijzing van het uitstelverzoek van belanghebbende is gestuurd naar een onjuist e-mailadres van belanghebbende. De naam van belanghebbende is onjuist gespeld. Dat is slordig, maar kan niet tot heropening van het onderzoek leiden. Belanghebbende heeft op de zitting namelijk verklaard dat hij die afwijzing heeft ontvangen en ingezien. Daarnaast heeft belanghebbende verklaard dat hij geen notificatiemail van het hof heeft ontvangen van de door hemzelf op 20 januari 2026 ingediende stukken. Daardoor is belanghebbende echter niet in zijn verdediging geschaad omdat het gaat om een notificatiemail van stukken die belanghebbende zelf heeft overgelegd. Het hof rekent de onder 1.8 vermelde brief van belanghebbende gelet op het voorgaande niet tot de gedingstukken en slaat daar geen acht op.
Ten aanzien van het geschil
In aanmerking te nemen loon voor het jaar 2017
4.4.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgelegde aanslagen moeten worden vernietigd. [BV 1] en [BV 2] houden zich bezig met onderzoekswerkzaamheden die kwalificeren voor de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk. Beide vennootschappen komen in aanmerking voor de afdrachtsvermindering wegens speur- en ontwikkelingswerk. Daartoe zijn urenadministraties bijgehouden. De inkomsten liepen echter terug in de onderhavige jaren en daarom zijn mondeling afspraken gemaakt om minder loon uit te betalen. Het in de administratie verantwoorde loon kwam vanaf dat moment niet meer overeen met het uitbetaalde loon. De aangiften IB/PVV voor de jaren 2023 en 2024 die zijn gedaan naar dit verlaagde bedrag aan loon zijn gevolgd, aldus nog steeds belanghebbende.
4.5.
Het hof stelt voorop dat het in deze uitspraak slechts een oordeel kan geven over de jaren 2017 en 2018 en dus niet ook over eerdere en latere jaren. Daarnaast stelt het hof voorop dat alleen het volgen van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2023 en 2024 geen bewuste standpuntbepaling van de inspecteur inhoudt. Voor in rechte te beschermen vertrouwen is meer vereist. Belanghebbende heeft geen omstandigheden gesteld die bij hem de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren betreffende dezelfde aangelegenheid gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling.
4.6.
Belanghebbende heeft met dat wat hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat moet worden uitgegaan van een lager loon dan het loon dat is vermeld op zijn jaaropgaven. De stelling dat aan belanghebbende minder nettoloon is uitbetaald dan de bedragen die zijn vermeld op de jaaropgaven, levert onvoldoende bewijs voor de stelling dat die betaalde bedragen dan ook het afgesproken nettoloon zouden zijn. Zonder nader bewijs, dat ontbreekt, kan belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, dan ook niet worden gevolgd in zijn standpunt. Dat heeft ook te gelden voor het standpunt dat ook loon aan anderen is betaald. Dat maakt namelijk nog niet dat de ten name van belanghebbende gestelde jaaropgaven onjuist zijn. Ten slotte is de enkele stelling dat een werknemer van [BV 2] door de inspecteur is behandeld zoals ook belanghebbende wil worden behandeld zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende.
Uitgaven voor specifieke zorgkosten voor het jaar 2017
4.7.
Ook voor de door belanghebbende in aftrek gebrachte uitgaven voor specifieke zorgkosten geldt dat hij zijn standpunt onvoldoende met bewijsmiddelen heeft onderbouwd. Voor de bij de nadere stukken overgelegde bijlage ‘2017 trauma’ geldt dat niet duidelijk is geworden of de kosten op belanghebbende hebben gedrukt aangezien de bankrekening op naam staat van [BV 1] . Deze onduidelijkheid moet voor risico van belanghebbende blijven aangezien hij de bewijslast draagt van de door hem in aftrek gebrachte uitgaven. Hetzelfde heeft te gelden voor de bij de nadere stukken overgelegde bijlage ‘2017’ aangezien zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, slechts aannemelijk is gemaakt dat bedragen zijn betaald aan [BV 3] , maar niet dat sprake is van uitgaven voor specifieke zorgkosten.
2018
4.8.
De rechtbank heeft voor het jaar 2018 als volgt overwogen:
“5.4. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt in die zin dat belanghebbende de correctie van de inspecteur accepteert met als gevolg dat het belastbare inkomen uit werk en woning zoals dat bij de aanslag IB/PVV 2018 is vastgesteld juist is. In dat kader heeft de inspecteur toegezegd (i) dat de in aanmerking te nemen loonkosten in de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2018 ten behoeve van [BV 1] van € 83.112 (…) met € 15.685 worden verhoogd tot € 98.797 (…) en dat de in aanmerking te nemen loonkosten in de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2018 ten behoeve van [BV 2] van € 6.619 (…) met € 5.045 worden verhoogd tot € 11.664 (…).”
4.9.
Belanghebbende heeft op de zitting van het hof kenbaar gemaakt op de afspraak terug te komen. Belanghebbende heeft gesteld dat hij ten tijde van de zitting van de rechtbank het geschil niet herkende en niet wist wat het probleem was. [BV 1] heeft een fout gemaakt en belanghebbende wist niet welke fout. Door het salarisbureau is een en ander niet goed verwerkt.
4.10.
Het hof is van oordeel dat de door partijen op de zitting van de rechtbank bereikte overeenstemming een vaststellingsovereenkomst inhoudt in de zin van artikel 7:900 Burgerlijk Pro Wetboek. Dit brengt mee dat belanghebbende in beginsel dient te worden gehouden aan (de gevolgen van) deze overeenkomst. Dit is slechts anders als sprake is geweest van een wilsgebrek bij belanghebbende ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Op belanghebbende rust in dit geval de bewijslast de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit dat wilsgebrek volgt. Het hof begrijpt het standpunt van belanghebbende zo dat hij stelt dat hij heeft gedwaald. In artikel 6:228, lid 1, Burgerlijk Wetboek is daarover het volgende bepaald:
“Een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar:
a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;
b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;
c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.”
4.11.
Geen van de omstandigheden a, b of c doet zich in dit geval voor. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat hij de reikwijdte van de afspraak niet kon overzien. Belanghebbende heeft met dat wat hij heeft aangevoerd dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dwaling die zou kunnen leiden tot vernietiging van de overeenkomst. Dat belanghebbende nu een andere uitkomst voor ogen staat dan hiervoor is afgesproken, maakt dit niet anders. Dat maakt dat de op de zitting van de rechtbank gesloten overeenkomst in stand blijft en dat het ingestelde hoger beroep ongegrond moet worden verklaard.
Tussenconclusie
4.12.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.13.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.14.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep voor de jaren 2017 en 2018 ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door M.J.C. Pieterse, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A. Muller M.J.C. Pieterse
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.Vergelijk Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:891.