De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 20 juli 2023 uitspraak gedaan over de beroepen van belanghebbende tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2017 en 2018. De inspecteur had het belastbare inkomen uit werk en woning voor 2017 en 2018 verhoogd ten opzichte van de aangiften van belanghebbende en de aftrek van specifieke zorgkosten voor 2017 geweigerd.
Belanghebbende voerde aan dat in overleg met de werkgevers een lager bruto loon was afgesproken en dat hij recht had op aftrek van specifieke zorgkosten. De inspecteur verklaarde het bezwaar tegen de aanslag 2017 aanvankelijk niet-ontvankelijk, maar de rechtbank vernietigde deze uitspraak omdat het bezwaar tijdig was ingediend. Voor 2018 bereikten partijen overeenstemming over de correcties van het belastbare inkomen.
De rechtbank oordeelde dat het door belanghebbende opgegeven lagere loon niet aannemelijk was gemaakt, mede gelet op de loonadministraties en jaaropgaven van de betrokken vennootschappen. Ook werd geoordeeld dat belanghebbende de aftrek van specifieke zorgkosten niet kon onderbouwen met bewijsstukken, waardoor deze terecht werd geweigerd. De aanslagen voor 2017 en 2018 werden daarmee als juist vastgesteld. Belanghebbende kreeg het griffierecht en reiskostenvergoeding voor de zitting terug, maar het beroep tegen de aanslag 2018 werd ongegrond verklaard.