Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:598

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
24/1070
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 122c WaterschapswetArt. 122d WaterschapswetArt. 3 Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2022Art. 15 Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2022Art. 16 Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep zuiveringsheffing: onroerende zaak als bedrijfsruimte aangemerkt

Belanghebbende is eigenaar van een onroerende zaak die als woning wordt verhuurd aan meerdere bewoners die gezamenlijk een huishouden vormen. De heffingsambtenaar legde een voorlopige aanslag zuiveringsheffing op, waarbij de onroerende zaak als bedrijfsruimte werd aangemerkt. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in, maar zowel rechtbank als hof verklaarden het beroep ongegrond.

Het geschil spitst zich toe op de kwalificatie van de onroerende zaak als woonruimte of bedrijfsruimte in de zin van de Waterschapswet en de Verordening zuiveringsheffing. Het hof oordeelt dat de woning geen woonruimte is omdat de bewoners geen gezin of daarmee gelijk te stellen leefeenheid vormen en de woonvoorzieningen zoals keuken en badkamer gedeeld worden. Dit volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad en de feitelijke situatie dat bewoners op verschillende momenten vertrokken.

Aangezien de onroerende zaak geen woonruimte is, maar wel een als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte, kwalificeert deze als bedrijfsruimte. Het hof wijst ook de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslag af, waaronder schending van gelijkheids-, motiverings-, rechtvaardigheids- en evenredigheidsbeginsel. Er is geen reden voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat de onroerende zaak een bedrijfsruimte is en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1070
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 juni 2024, nummer BRE 23/1563, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft een voorlopige aanslag zuiveringsheffing voor het jaar 2022 (hierna: de aanslag) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .
1.7.
De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak is een woning in de wijk [wijk] . De onroerende zaak beschikt over verschillende kamers, een keuken en een badkamer.
2.2.
De onroerende zaak is tot 1 juli 2022 verhuurd geweest aan vijf mannen die allen zijn geboren in het jaar 2001 of 2002, met verschillende achternamen en nationaliteiten. Vanaf 1 juli 2022 is de onroerende zaak verhuurd aan vier nieuwe bewoners, die allen man zijn, geboren zijn in 1999 of 2000 en verschillende achternamen hebben. De bewoners beschikken ieder over hun eigen kamer. Beide huurovereenkomsten zijn voor een jaar aangegaan. In de huurovereenkomsten is door de bewoners verklaard dat zij tezamen één huishouden vormen. Verder is onder meer bepaald dat (i) de huurbetalingen vanaf één rekening dienen te gebeuren en (ii) het huurders (zonder schriftelijke toestemming) niet is toegestaan warme maaltijden te bereiden in de kamers. Hiervoor is een keuken in de woning beschikbaar. Tot slot is (iii) het intern wisselen van woonruimten binnen de onroerende zaak toegestaan, maar is het niet toegestaan om de huiskamer, badkamer en keuken te wijzigen in bestemming.
2.3.
Belanghebbende heeft een verklaring, gedagtekend 13 april 2023, overgelegd van de vier bewoners die de onroerende zaak vanaf 1 juli 2022 hebben gehuurd. Hierin is staat het volgende:
“Geachte verhuurder,
We wonen hier met zijn allen als huishouden waarbij we samen leven, eten, dingen met elkaar doen, en voor elkaar zorgen voor onbepaalde tijd. Hebben u eerder stukken van boodschappen e.d. toegezonden en dat we met de Gemeente hebben gesproken.
We gebruiken geen aparte vakjes voor onszelf in de keuken, dat is ook goed te zien op de foto's. We zijn geen groep studenten. (…)”.
2.4.
In de pleitnota van de heffingsambtenaar staat onder meer het volgende:
“Voorts wil ik uw hof nog wijzen op de laatste bladzijde van bijlage 2-7 (huurovereenkomst 23-7-2021) bij mijn verweer aan de rechtbank. De laatste bladzijde van deze bijlage betreft namelijk de beëindiging van de huurovereenkomst, welke op 23-7-2021 was aangegaan. Dat er juist wel sprake moet zijn geweest van studenten blijkt uit deze opzegging welke door de toenmalige bewoners is opgesteld en ondertekend. Ik citeer:
“De reden van de beëindiging van de huurovereenkomst is dat we een geschiktere en betaalbare woning hebben gevonden die dichter bij de school staat”.
Uit de Basisregistratie personen volgt dat iedere bewoner, na het verlaten van [adres] , ieder zijn eigen weg is gegaan. Zo is men verhuisd naar een gallerijflat, een studentenstudio, een niet zelfstandige wooneenheid van [naam] of een appartement voor een doelgroep.”.
Verordening
2.5.
De Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2022 (hierna: de Verordening) luidt, voor zover van belang:
Artikel 1 Definities Pro
Deze verordening verstaat onder:
(…)
 d. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;
 e. bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering.
(…)
Artikel 3 Belastbaar Pro feit en heffingsplicht
1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.
2. Aan de heffing worden onderworpen:
a. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;
(…)
3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingsplichtig:
a. in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden: degene die door de heffingsambtenaar BWB is aangewezen;
b. in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
c. in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.
Artikel 15 Vervuilingswaarde Pro van kleine bedrijfsruimten
1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.
(…)
Artikel 16 Vervuilingswaarde Pro van woonruimten
1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd, bedraagt één vervuilingseenheid.
(…)
Artikel 18 Tarief Pro
1. Het tarief bedraagt € 62,85 per vervuilingseenheid.
2. Het tarief van een eenpersoonshuishouden bij gebruik van een woonruimte bedraagt € 62,85
3. Het tarief van een meerpersoonshuishouden bij gebruik van een woonruimte bedraagt € 188,55”.
2.6.
De heffingsambtenaar heeft voor de zuiveringsheffing de onroerende zaak als bedrijfsruimte aangemerkt. De voorlopige aanslag is opgelegd voor een bedrag van € 923,90 en is gebaseerd op 14,7 vervuilingseenheden.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de vraag of:
1) de onroerende zaak moet worden aangemerkt als een bedrijfsruimte (standpunt heffingsambtenaar) of woonruimte (standpunt belanghebbende).
2) de aanslag niet in stand kan blijven wegens schending van het gelijkheids-, motiverings-, rechtvaardigheids-, en/of evenredigheidsbeginsel.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Woonruimte en bedrijfsruimte
4.1.
Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak van het waterschap inzake het zuiveren van afvalwater, wordt een zuiveringsheffing geheven ter zake van afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of een woonruimte. [1]
4.2.
Belanghebbende stelt primair dat de onroerende zaak een woonruimte is in de zin van de Waterschapswet en de Verordening. Het hof zal daarom allereerst beoordelen of daarvan sprake is.
4.3.
Voor toepassing van de zuiveringsheffing zijn de begrippen woonruimte en bedrijfsruimte gedefinieerd in artikel 122c Waterschapswet en in artikel 1, letter d en e van de Verordening. Onder woonruimte wordt verstaan een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven. Onder bedrijfsruimte wordt verstaan een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering. Uit jurisprudentie blijkt dat deze begrippen afwijken van hetgeen in het dagelijks spraakgebruik met woon- respectievelijk bedrijfsruimte wordt bedoeld.
4.4.
De Waterschapswet bevat geen objectafbakeningsregels. Wel heeft de Hoge Raad in enkele arresten over de voorloper van de zuiveringsheffing, de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren, het begrip woonruimte ingevuld. Hetgeen in deze arresten is geoordeeld, geldt nog steeds, ook al is de verontreinigingsheffing per 1 januari 2009 voor gevallen als het onderhavige vervangen door de zuiveringsheffing.
4.4.1.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 juli 1984 [2] geoordeeld dat:
“[t]ekst noch strekking van de [destijds in de Verordening opgenomen, met het huidige art. 122c onderdeel h Wsw overeenstemmende] bepaling (…) zich ertegen [verzet] om onder ,,woonruimten'' tevens te begrijpen gedeelten van gebouwen, mits het gaat om gedeelten die, wat betreft de woonfunctie, voldoende zelfstandigheid bezitten. Deze zelfstandigheid dient te worden afgeleid uit de inrichting van het gebouw, waarbij bepalend is in hoeverre de gebruiker van het desbetreffende gedeelte afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige, voor de woonfunctie wezenlijke voorzieningen.
(…)
Van een ruimte waaraan een wezenlijke voorziening als een keuken ontbreekt, kan niet worden gezegd dat de gebruiker ervan slechts bijkomstig van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen afhankelijk is.”.
4.4.2.
Indien de bewoners van een gebouw of zelfstandig gedeelte daarvan (zoals een appartement) niet ieder afzonderlijk beschikken over wezenlijke voorzieningen (kookgelegenheid, wasgelegenheid, toilet), zijn de door hen bewoonde onzelfstandige delen van (het zelfstandige gedeelte van) het gebouw geen woonruimten.
4.4.3.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 14 juni 1995 [3] geoordeeld:
“3.3. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat in het pand geen afzonderlijke woonruimten aanwijsbaar zijn. Daarvan uitgaande heeft het Hof de vraag of het pand is aan te merken als woonruimte terecht ervan doen afhangen (HR 23 juli 1984, nr. 22.178, BNB 1984/282) of het pand ten dienste staat aan een gezin of een daarmee op één lijn staande leefeenheid. Die vraag heeft het Hof terecht ontkennend beantwoord. Het in 3.1 overwogene laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de bewoners van het onderhavige pand door de stichting en haar medewerkers dag en nacht worden opgevangen en begeleid en dat hun huisvesting onder verantwoordelijkheid van de stichting en haar medewerkers plaats vindt. Alsdan kan niet worden gezegd dat sprake is van een woonruimte die ten dienste staat van een gezin of een daarmee gelijk te stellen leefeenheid.”.
4.5.
De bewoners van de onroerende zaak delen de essentiële (woon)voorzieningen zoals de keuken en badkamer met elkaar. Aangezien kennelijk slechts sprake is van één ruimte die voorziet in woongelegenheid als hiervoor bedoeld en de bewoners geen ruimten hebben die als afzonderlijk geheel voor hen kan voorzien in woongelegenheid zonder dat zij afhankelijk zijn van gemeenschappelijke voorzieningen, moet vervolgens naar de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad worden beoordeeld of het gehele pand als woonruimte kan worden aangemerkt. Dit is slechts het geval als het pand ten dienste staat van een gezin of daarmee gelijk te stellen andere leefeenheid. [4] Dit laatste vindt geen steun in door partijen aangevoerde feiten. De bewoners wonen weliswaar samen in de onroerende zaak, maar dat tussen hen als bewoners een zodanige betrekking, samenhang of bindende factor bestaat, waardoor zij gelijk te stellen zijn met een gezin is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Het hof heeft aan dit oordeel mede ten grondslag gelegd dat de heffingsambtenaar onweersproken heeft gesteld dat uit zijn onderzoek in de Basisregistratie Personen volgt dat de bewoners genoemd in de huurovereenkomst die tot 1 juli 2022 liep zich op verschillende data hebben uitgeschreven op het adres van de onroerende zaak en dat de vier bewoners genoemd in de met ingang van 1 juli 2022 gesloten huurovereenkomst naar (doelgroep)appartementen op verschillende adressen in [woonplaats] zijn vertrokken. De voor een gezin kenmerkende duurzaamheid in de personele samenstelling ontbreekt daardoor. Verder ligt aan dit oordeel ten grondslag dat de bewoners genoemd in de huurovereenkomst die tot 1 juli 2022 liep als reden van opzegging hebben aangegeven dat ze “
een geschiktere en betaalbare woning hebben gevonden die dichter bij de school staat”.Het lijkt er daarom veeleer op dat sprake is van studenten die een kamer voor zichzelf, met gebruik van gemeenschappelijke delen hebben gehuurd. De omstandigheid dat de bewoners hebben verklaard samen een huishouden te vormen en de huurbetalingen van één rekening moeten worden betaald doet hier niet aan af. Evenmin doet aan dit oordeel af dat kamerverhuur niet zou zijn toegestaan, zoals belanghebbende heeft gesteld. Het hof is daarom van oordeel dat de onroerende zaak voor de toepassing van de Waterschapswet en de Verordening geen woonruimte is.
4.6.
De volgende te beantwoorden vraag is of de onroerende zaak een bedrijfsruimte is.
Volgens artikel 122c, onderdeel i, Waterschapswet en artikel 1, letter e van de Verordening is een bedrijfsruimte: “
een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringstechnisch werk of een riolering”.
4.7.
Onder 4.5 heeft het hof geoordeeld dat de onroerende zaak geen woonruimte is. Uit de onder 2.1 vermelde feiten volgt dat de onroerende zaak evenmin een zuiveringstechnisch werk of riolering is. Uit die feiten volgt verder dat de onroerende zaak wel een naar haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte is. Bij dit laatste neemt het hof in aanmerking dat feiten op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat binnen de onroerende zaak twee of meer als een afzonderlijk geheel te beschouwen ruimten te onderscheiden zijn, niet zijn gesteld en evenmin zijn gebleken.
4.8.
Het hof is gelet op voorgaande van oordeel dat de onroerende zaak een bedrijfsruimte is.
Schending van het gelijkheids-, motiverings-, rechtvaardigheids- en/of evenredigheidsbeginsel?
4.9.
Belanghebbende heeft gesteld dat de aanslag niet in stand kan blijven omdat het omgevingsplan expliciet stel dat huishoudens in de ruimste zin zijn toegestaan, dus niet enkel gezinnen of vergelijkbare structuren. Volgens belanghebbende is de aanslag daarom opgelegd in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet gelet op het overwogene in 4.5. Dat volgens het omgevingsplan huishoudens in de ruimste zin zijn toegestaan is niet relevant voor de kwalificatie woonruimte of bedrijfsruimte. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de heffingsambtenaar voor gelijke gevallen een aanslag bedrijfsruimte achterwege heeft gelaten.
4.10.
Belanghebbende heeft gesteld dat de rechtbank het motiveringsbeginsel heeft geschonden. De rechtbank is uitgegaan van onjuiste feiten omdat sprake is van één huurder en niet meerdere huurders. Verder heeft de rechtbank de feiten niet juist beoordeeld omdat in de huurovereenkomst juist duidelijk vermeld staat dat de huurder een huishouden vormt en kamerverhuur expliciet niet is toegestaan. Deze klacht slaagt niet gelet op het vastgestelde in 2.2 en het overwogene in 4.5.
4.11.
Belanghebbende heeft ten slotte ook nog gesteld dat sprake is van schending van het rechtvaardigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Volgens belanghebbende is de aanslag onredelijk bezwarend. Het zou redelijk zijn als de huurder de zuiveringsheffing betaalt. Ook deze klachten slagen niet. Gelet op het oordeel van het hof dat de onroerende zaak een bedrijfsruimte is en het bepaalde in artikel 3 van Pro de Verordening heeft de heffingsambtenaar belanghebbende terecht aangeslagen. Het hof merkt in dit verband ten overvloede op dat in artikel 3 van Pro de Verordening ook is bepaald dat in geval van een bedrijfsruimte degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven. Dat de aanslag onredelijk bezwarend is voor belanghebbende is door hem niet aannemelijk gemaakt.
4.12.
Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Tussenconclusie
4.13.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding
4.14.
Er is geen reden voor een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) omdat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard.
Ten aanzien van het griffierecht
4.15.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.16.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 122d van de Waterschapswet.
2.ECLI:NL:HR:1984:AW8591, BNB 1984/283.
3.ECLI:NL:HR:1995:AA1584, BNB 1995/253.
4.Vgl. de hiervoor genoemde arresten HR 23 juli 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8590, BNB 1984/282 en HR 14 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1584, BNB 1995/253.