Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1634

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
20-003096-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 SrArt. 72 SrArt. 322 SrArt. 420bis SrArt. 420ter Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens verjaring bij verduistering, witwassen en faillissementsfraude

De verdachte werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging wegens verjaring van de feiten van verduistering in dienstbetrekking, witwassen en faillissementsfraude gepleegd tussen 2008 en 2009.

De officier van justitie stelde hoger beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Het hof onderzocht de toepasselijke verjaringstermijnen en de vraag of de verjaring tijdig was gestuit door formele vervolgingshandelingen.

Het hof oordeelde dat de verjaringstermijnen voor de feiten twaalf jaar bedroegen en dat de verjaring was gestuit door onder meer het besluit van het openbaar ministerie tot strafrechtelijk onderzoek in mei 2017, het Europees Onderzoeksbevel in augustus 2017 en de onderzoekswensenbrief aan de raadsman in augustus 2019.

Daarmee was de verjaring niet ingetreden en verklaarde het hof de officier van justitie alsnog ontvankelijk in de strafvervolging. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank Oost-Brabant voor inhoudelijke behandeling met inachtneming van dit arrest.

Uitkomst: Het hof verklaart de officier van justitie alsnog ontvankelijk en wijst de zaak terug naar de rechtbank.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003096-24
Uitspraak : 16 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 7 november 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-994017-19 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
volgens eigen opgave ter terechtzitting thans wonende aan de
[adres] [woonplaats] (Spanje).
Hoger beroep
Bij voormeld vonnis is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging van de verdachte.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de officier van justitie alsnog ontvankelijk in de strafvervolging zal verklaren en de zaak zal terugwijzen naar de rechtbank.
Namens de verdachte is bepleit - kort gezegd – dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode vanaf 22 mei 2008 tot en met 30 oktober 2009 te Liempde in
de gemeente Boxtel en/of te Son in de gemeente Son en Breugel, althans in Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
(telkens) opzettelijk een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot EURO
920.764,60 of daaromtrent (overzicht pagina 0091 p.v.), althans tot een totaalbedrag groot
EURO 800.764,60 of daaromtrent, in elk geval een of meer bedrag(en) aan geld,
dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan (onder meer)
één of meer van de hierna genoemde (rechts)perso(o)n(en), te weten
- [aangever 1] tot een bedrag aan geld, althans een gedeelte van een bedrag aan geld groot
EURO 100.000 (DOC-304, pag. 4270 p.v., DOC-148, pag. 3349 p.v. en AMB-1-004, bijl. 2,
pag. 0671 p.v.) en/of
- [aangever 1] tot een bedrag aan geld, althans een gedeelte van een bedrag aan geld groot
EURO 150.000 (DOC-305, pag. 4281 p.v., DOC-148, pag. 3376 p.v. en AMB-1-004, bijl. 2,
pag. 0671 p.v.) en/of
- [aangever 2] tot een bedrag aan geld, althans een gedeelte van een bedrag aan geld groot
EURO 50.000 (DOC-290, pag. 4171 p.v., DOC-148, pag 3310 p.v. en AMB-1-004, bijl. 2,
pag. 0669 p.v.) en/of
- [aangever 2] tot een of meer bedrag(en) aan geld, althans (een) gedeelte(n) van een of
meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot EURO 150.000 (DOC-291, pag. 4183
p.v., DOC-148, pag. 3376, 3377 en 3383 p.v. en AMB-1-004, bijl. 2, pag. 0671 en 0672 p.v.
met het kenmerk 'bond 5') en/of
- [aangever 2] tot een of meer bedrag(en) aan geld, althans (een) gedeelte(n) van een of
meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot EURO 100.000 (DOC-292, pag. 4195
p.v., DOC-148, pag. 3376 en 3383 p.v. en AMB-1-004, bijl. 2, pag. 0671 en 0672 p.v. met
het kenmerk 'bond 4') en/of
- [aangever 3] tot een bedrag aan geld, althans een gedeelte van een bedrag aan geld groot
EURO 250.000 (DOC-277, pag. 4067 p.v., DOC-148, pag. 3348 p.v. en AMB-1-004, bijl. 2,
pag. 0671 p.v.) en/of
- [aangever 3] Holding B.V. tot een bedrag aan geld, althans een gedeelte van een bedrag
aan geld groot EURO 200.000 (DOC-278, pag. 4078 p.v., DOC-148, pag. 3410 p.v. en
AMB-1-004, bijl. 2, pag. 0672 p.v.) en/of
- [aangever 4] en/of [aangever 5] tot een of meer bedrag(en) aan geld, althans (een)
gedeelte(n) van een of meer bedrag(en) aan geld tot een totaalbedrag groot EURO 200.000
(DOC-313, pag. 4362 p.v., DOC-148, pag. 3333, 3334 en 3343 p.v. en AMB-1-004, bijl. 2,
pag. 0670 p.v.) en/of
- [aangever 4] en/of [aangever 5] tot een bedrag aan geld, althans een gedeelte van een
bedrag aan geld groot EURO 100.000 (DOC-314, pag. 4374 p.v., DOC-148, pag. 3377 p.v.
en AMB-1-004, bijl. 2, pag. 0671/0672 p.v. met het kenmerk 28000476/60),
en/of aan
[rechtspersoon] in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
en welk(e) bedrag(en) aan geld verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) uit hoofde van de persoonlijke dienstbetrekking van hem, verdachte, van/als directeur, althans bestuurder van [rechtspersoon] (telkens) als converteerbare geldleningsovereenkomst(en) door voornoemde (rechts)perso(o)n(en) aan [rechtspersoon] in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf, onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich hebben/heeft toegeëigend; (art. 322 juncto Pro art. 321 juncto Pro art. 47 Wetboek Pro van Strafrecht)
2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 mei 2008 tot en met 30 oktober 2009 te Liempde in de gemeente Boxtel en/of te Son in de gemeente Son en Breugel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,
immers heeft hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) een of meer voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of (telkens) daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders), wist(en) dat dit/die geldbedrag(en), onmiddellijk of middellijk, (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
te weten (onder meer) na te noemen geldbedrag(en), welk(e) geldbedrag(en) (telkens) onderdeel uitmaakte(n) van de/het banksaldi/banksaldo van het bankrekeningnummer [nummer 3] ten name van [rechtspersoon] (verder te noemen 'B.V.1’):
- een of meer geldbedrag(en) tot een totaal geldbedrag groot EURO 243.817, -of daaromtrent, althans een totaal geldbedrag groot EURO 138.817,- of daaromtrent, althans een of meer geldbedrag(en), door die/dat geldbedrag(en) (telkens) over te boeken (al dan niet in rekening-courant) vanaf voornoemde bankrekening van B.V.1 naar een bankrekening van [rechtspersoon 2] (nadien genaamd [rechtspersoon 3] ) (verder te noemen 'B.V.2') en/of (vervolgens) aan te wenden voor de aanschaf en/of het onderhoud van twee, althans een motorvoertuig(en) (tabel(len) pag. 0091, 0759 en 0760 p.v.) en/of
- een of meer geldbedrag(en) tot een totaal geldbedrag groot EURO 35.000,- of daaromtrent, althans een of meer geldbedrag(en), door die/dat geldbedrag(en) (telkens) aan te wenden (al dan niet in rekening-courant met B.V.2) voor de aanschaf van sieraden en/of kleding, in elk geval voor privé-uitgaven (tabel pag. 0216 p.v.) en/of
- een of meer geldbedrag(en) tot een totaal geldbedrag groot EURO 126.025,50 of daaromtrent, althans een of meer geldbedrag(en), door die/dat geldbedrag(en) (telkens) over te boeken (al dan niet in rekening-courant) vanaf voornoemde bankrekening van B.V.1 naar een bankrekening van B.V.2 en/of (vervolgens) aan te wenden ter financiële ondersteuning van, althans als financiële bijdrage(n) aan de (Christelijke) stichting(en) genaamd ' [rechtspersoon 4] ' en/of [rechtspersoon 5] ' en/of ' [rechtspersoon 6] ', in elk geval van/aan een of meer (Christelijke) stichtingen (tabel pag. 0237 p.v.)
- een of meer geldbedrag(en) tot een totaal geldbedrag groot EURO 110.000,- of daaromtrent, althans een of meer geldbedrag(en), door die/dat geldbedrag(en) (telkens) over te boeken (al dan niet in rekening-courant) vanaf voornoemde bankrekening van B.V.1 naar een privérekening van hem, verdachte (tabel pag. 0295 p.v. en DOC-350, pag. 4603 en 4606 p.v.); (art. 420ter jo art. 47 Wetboek Pro van Strafrecht) (art. 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht)
3. primair
[rechtspersoon] verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 augustus 2009 tot en met 21 oktober 2009, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van de maand augustus 2009 tot en met de maand oktober 2009 te Son in de gemeente Son en Breugel, althans in Nederland,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
terwijl de B.V. bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van [datum] in staat van faillissement is verklaard,
(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de B.V., een of meer goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken door
- een of meer bedrag(en) aan geld van de B.V. tot een totaalbedrag groot EUR 32.500,- (gesaldeerd) over te boeken vanaf de bankrekening(en) van de B.V. bij de ABN AMRO bank met bankrekening nummer [nummer 1] naar bankrekening nummer [nummer 2] ten name van hem, verdachte bij de ABN AMRO bank (overzicht pag. 0157 p.v. en DOC-350, pag. 4607, 4609, 4611 en 4612 p.v., DOC-043, pag. 1829, 1830, 1832 en 1833) en/of
- (een deel van) de (kantoor)inventaris van de B.V. over te dragen aan [rechtspersoon 3] (voorheen genaamd [rechtspersoon 2] ) (overzicht/tabel pag. 0151 p.v.) en/of
- drie, althans een of meer keurmeter(s) over te dragen aan [rechtspersoon 7] (DOC-019, pag. 1683 p.v.) en/of
(telkens) ter gelegenheid van het faillissement van de B.V. of op een tijdstip waarop de B.V. wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen,
een of meer van de schuldeisers van de B.V., te weten de Spaanse onderneming [rechtspersoon 8] (vertegenwoordigd door [persoon] , althans door [persoon 2] ) en/of [persoon] , althans [persoon 2] , (telkens) op enige wijze heeft bevoordeeld,
door een auto (merk Range Rover) en/of een Textielprinter en/of een luchtcompressor en/of een droogtunnel (DOC-014) (al dan niet ter voldoening van een opeisbare vordering van die onderneming [rechtspersoon 8] , althans die [persoon] , althans die [persoon 2] voornoemd) over te dragen aan die onderneming [rechtspersoon 8] , althans die [persoon] , althans die [persoon 2] voornoemd,
hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en) en/of (telkens) feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en); (art. 341 jo Pro art. 51 en Pro 47 Wetboek van Strafrecht (nieuw)) (art. 343 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair
[rechtspersoon] verder te noemen 'de B.V.', op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 augustus 2009 tot en met 21 oktober 2009, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand augustus 2009 tot en met de maand oktober 2009 te Son in de gemeente Son en Breugel, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
terwijl de B.V. bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van [datum] in staat van faillissement is verklaard,
(telkens) wetende dat hierdoor een of meer schuldeiser(s) in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld, voor of tijdens het faillissement van de B.V.,
een of meer goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, door
* een of meer bedrag(en) aan geld van de B.V. tot een totaalbedrag groot EUR 32.500,- (gesaldeerd) over te boeken vanaf de bankrekening van de B.V. bij de ABN AMRO bank met bankrekening nummer [nummer 1] naar bankrekening nummer [nummer 2] ten name van hem, verdachte bij de ABN AMRO bank (overzicht pag. 0157 p.v. en DOC-350, pag. 4607, 4609, 4611 en 4612 p.v., DOC-043, pag. 1829, 1830, 1832 en 1833) en/of
* (een deel van) de (kantoor)inventaris van de B.V. over te dragen aan [rechtspersoon 9] (voorheen genaamd [rechtspersoon 2] ) (overzicht/tabel pag. 0151 p.v.) en/of
* drie, althans een of meer keurmeter(s) over te dragen aan [rechtspersoon] (DOC-019) en/of
een of meer van de schuldeisers van de B.V., te weten de Spaanse onderneming [rechtspersoon 8] (vertegenwoordigd door [persoon] , althans door [persoon 2] ) en/of [persoon] , althans [persoon 2] op enige wijze wederrechtelijk heeft bevoordeeld, door
* een auto (merk Range Rover) en/of een Textielprinter en/of een luchtcompressor en/of een droogtunnel (DOC-014) over te dragen aan die onderneming [rechtspersoon 8] , althans die [persoon] , althans die [persoon 2] voornoemd, hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en) en/of (telkens) feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en).
(art. 341 jo Pro art. 52 en Pro 47 Wetboek van Strafrecht (nieuw)) art. 343 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging
De rechtbank heeft de officier van justitie in de strafvervolging niet-ontvankelijk verklaard omdat - kort gezegd - zij van oordeel is dat de ten laste gelegde feiten zijn verjaard.
De verjaringstermijnen.
Samengevat wordt de verdachte verdacht van:
feit 1: het tezamen en in vereniging met een of meer anderen plegen van verduistering in dienstbetrekking in de periode van 22 mei 2008 tot en met 30 oktober 2009;
feit 2: (het feitelijk leidinggeven aan) het in vereniging plegen van (gewoonte)witwassen in de periode van 22 mei 2008 tot en met 30 oktober 2009;
feit 3: (het feitelijk leidinggeven aan) het in vereniging plegen van faillissementsfraude in de periode van 4 augustus 2009 tot en met 21 oktober 2009.
Artikel 70, eerste lid, Sr luidt in de redactie tot 1 april 2013 als volgt.
Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:
1°. in drie jaren voor alle overtredingen;
2°. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet
meer dan drie jaren is gesteld;
3°. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie
jaren is gesteld.
Bij wetswijziging van 1 april 2013 is hieraan toegevoegd een ten vierde, namelijk:
(...)
4°. in twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van acht jaren of meer is
gesteld.
Het hof stelt, nu dat ook tussen partijen niet in geschil is, vast dat de volgende verjaringstermijnen van toepassing zijn voor de ten laste gelegde feiten.
Met betrekking tot de onder 1. ten laste gelegde verduistering in dienstbetrekking, geldt dat artikel 322 Sr Pro een strafmaximum van vier jaren voorschrijft. De verjaringstermijn waarmee het hof in deze strafzaak rekening moet houden is gelet op artikel 70, lid 1, 3° Sr, twaalf jaren.
Met betrekking tot het onder 2. ten laste gelegde (gewoonte)witwassen geldt dat artikel 420bis Sr een strafmaximum van eerst vier jaren en vervolgens zes jaren voorschrijft. Artikel 420ter Sr schrijft een strafmaximum van acht jaren voor. Met de verdediging is het hof van oordeel dat voor de verjaring moet worden uitgegaan van de pleegdata van de afzonderlijke witwasfeiten, welke gezamenlijk de ‘gewoonte’ uitmaken.
Dit betekent dat gelet op artikel 70, lid 1, 3°, Sr een verjaringstermijn geldt van twaalf jaren.
Met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde geldt dat de artikelen 341 respectievelijk 343 Sr in de ten laste gelegde periode en sedertdien een strafmaximum van zes jaren voorschrijven. Ook voor dit feit is de verjaringstermijn gelet op artikel 70, lid 1, 3° Sr twaalf jaren.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof d.d. 2 juni 2026 gewezen op het arrest van de Hoge Raad d.d. 19 mei 2026 (ECLI:NL:HR:2026:772), waarin is bepaald dat bij verduistering de verjaringstermijn ingaat op de dag na die waarop het feit is gepleegd, hetgeen voor de onderhavige zaak tot gevolg heeft dat de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten zouden zijn verjaard op 21 oktober 2021.
Het hof volgt de advocaat-generaal in dat standpunt.
Het hof stelt gelet op grond van het vorenstaande vast dat:
  • de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten in beginsel zijn verjaard op 21 oktober 2021;
  • het onder 3. ten laste gelegde feit in beginsel is verjaard op 22 oktober 2021,
tenzij de verjaringstermijn tijdig is gestuit.
Is sprake van stuiting van de verjaring?
Per 1 januari 2006 luidt artikel 72, eerste lid, Sr:
1. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, ook ten aanzien van anderen dan de
vervolgde.
Als daad van vervolging wordt aangemerkt ‘iedere formele daad uitgaande van het openbaar ministerie of een rechter om in de fase voorafgaand aan de tenuitvoerlegging tot
een (uitvoerbare) rechterlijke beslissing te geraken.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verjaring in de onderhavige zaak is gestuit door de volgende handelingen die volgens het openbaar ministerie moeten worden gezien als 'stuitingshandelingen':
1. het Ad hoc- besluit van de Stuur- en Weegploeg (hierna: SWP) van het openbaar ministerie d.d. 15 mei 2017;
2. het verzenden van het rechtshulpverzoek (een Europees Onderzoeksbevel, hierna: EOB) aan de Spaanse justitiële autoriteiten d.d. 14 augustus 2017;
3. het verzenden van de ‘onderzoekswensenbrief’ aan de raadsman (cc. aan het regiebureau van de rechter-commissaris) d.d. 7 augustus 2019.
Het hof ziet zich aldus gesteld voor de vraag of voormelde handelingen kunnen worden gezien als een daad van vervolging die de verjaring stuit als bedoeld in art. 72 Sr Pro.
Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad betreft een dergelijke daad ‘een daad welke erop is gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen’ (zie onder meer HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1014, NJ 2010/464).
De woorden ‘daad van vervolging’ moeten niet strafvorderlijk worden begrepen, maar hebben een ruime materiële betekenis. Het gaat om een formele daad uitgaande van het openbaar ministerie of de rechter om in de fase van vervolging, de fase voorafgaande aan de tenuitvoerlegging, tot een (uitvoerbare) rechterlijke beslissing te geraken. Door van zijn bevoegdheid tot het verrichten van een daad van vervolging gebruik te maken, brengt het openbaar ministerie tot uitdrukking dat de inbreuk op de rechtsorde (nog steeds) strafvervolging vereist.
Het hof overweegt als volgt.
Op de eerste plaats stelt het hof vast dat alle door de advocaat-generaal genoemde handelingen hebben plaatsgevonden vóór het einde van voornoemde verjaringstermijnen.
In de onderhavige zaak is op 5 april 2016 de vervolging van de verdachte bevolen door het gerechtshof Den Haag naar aanleiding van een klaagschrift ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Op 15 mei 2017 is vervolgens door de SWP ad hoc besloten om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen tegen de verdachte. Uit de inhoud van het besluit volgt dat het om een strafrechtelijk onderzoek moet gaan dat ‘recht doet aan de opdracht van het hof tot het instellen van vervolging’.
Met het feitelijke besluit van de SWP is aldus sprake van een formele daad zijdens het openbaar ministerie, waarmee uitvoering is gegeven aan de opdracht van het hof tot vervolging. Deze formele daad kan redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan als te zijn gericht op het verkrijgen van een rechterlijke beslissing.
Het hof is bijgevolg van oordeel dat voormeld besluit van het openbaar ministerie d.d. 15 mei 2017, waarin de beslissing om tot vervolging van de verdachte over te gaan is genomen, heeft te gelden als een daad van vervolging die de verjaring stuit als bedoeld in art. 72 Sr Pro, zodat in de onderhavige zaak de verjaring reeds is gestuit op 15 mei 2017.
Anders dan de rechtbank en de verdediging beschouwt het hof ook het Europees Onderzoeksbevel d.d. 14 augustus 2017 als een daad van vervolging die de verjaring heeft gestuit. De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1006, geoordeeld dat het oordeel van het hof dat het uitbrengen van een rechtshulpverzoek is aan te merken als een daad van vervolging die de verjaring stuit, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is.
In zijn conclusie bij het arrest heeft de advocaat-generaal Vegter betoogd dat hem lijkt dat het doen van een rechtshulpverzoek in het algemeen wel tot uitdrukking brengt dat de inbreuk op de rechtsorde (nog steeds) strafvervolging vereist. Het ging in die zaak om een rechtshulpverzoek van de officier van justitie aan de bevoegde justitiële autoriteiten van Luxemburg tot het doen verstrekken van bescheiden, het afnemen van verhoren en het doen van nader onderzoek.
In de onderhavige zaak is dat niet anders. In casu zijn verhoren afgenomen door het hoofdbureau van Tarragona, Organieke Eenheid van Recherche, Eenheid bij het Provinciaal Gerechtshof.
De omstandigheid dat in dat kader in het buitenland geen rechter bij de zaak werd betrokken zoals de verdediging heeft gesteld, maakt het oordeel niet anders, nu dit niet een vereiste is dat volgt uit het genoemde arrest van de Hoge Raad.
Voorts heeft het openbaar ministerie bij brief van 7 augustus 2019 te kennen gegeven dat het onderzoek is afgerond en dat de verdachte zal worden gedagvaard voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank. De verdediging is uitgenodigd om bij de rechter-commissaris de onderzoekswensen kenbaar te maken binnen vier weken. De verdediging heeft daar gehoor aan gegeven, onder verwijzing naar de brief van het openbaar ministerie, en aan de rechter-commissaris verzocht een vijftal getuigen te horen. Bij beschikking van 8 januari 2020 heeft de rechter-commissaris beslist tot het horen van een getuige.
Alhoewel het te kennen geven van het voornemen tot dagvaarden niet als daad van vervolging kan worden aangemerkt, is het hof van oordeel dat het vervolgens betrekken van de rechter-commissaris in de zaak door de verdediging uit te nodigen de onderzoekswensen in te dienen, waarop een beschikking van de rechter-commissaris is gevolgd, wel als een zodanige daad kan worden aangemerkt.
De door de verdediging aangevoerde andersluidende argumenten kunnen aan het vorenstaande niet afdoen.
Het hof ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden teneinde een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad te verkrijgen. Het hof acht dat niet noodzakelijk voor de beslissing, immers de beantwoording van de rechtsvragen die aan de orde zijn, is reeds mogelijk op grond van bestaande jurisprudentie.
Conclusie
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de feiten waarvoor de verdachte
wordt vervolgd niet zijn verjaard.
Het hof zal de officier van justitie daarom alsnog ontvankelijk verklaren in de
strafvervolging van de verdachte en de zaak terugwijzen naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart de officier van justitie alsnog ontvankelijk in de strafvervolging van verdachte.
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Aldus gewezen door:
mr. S. Riemens, voorzitter,
mr. J. Platschorre en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,
en op 16 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Riemens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.