ECLI:NL:GHSHE:2026:1431

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
25/1100
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 1 Wet BPMArt. 10 lid 2 Wet BPMArt. 10 lid 7 Wet BPMArt. 10 lid 8 Wet BPMArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over correctie handelsinkoopwaarde bij naheffing bpm

De inspecteur legde een naheffingsaanslag bpm op aan belanghebbende, die bezwaar maakte en beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag. Zowel belanghebbende als de inspecteur gingen in hoger beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden, dat het beroep van belanghebbende ongegrond en dat van de inspecteur gegrond verklaarde. Belanghebbende stelde vervolgens cassatie in bij de Hoge Raad, die beide beroepen gegrond verklaarde en het geding verwees naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Het geschil betreft de vraag of bij toepassing van de taxatiemethode voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde van een motorvoertuig correcties voor markt- en dealersituatie moeten worden toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat de inspecteur deze correcties niet verplicht is toe te passen bij de taxatiemethode, tenzij de koerslijstmethode wordt gebruikt.

Belanghebbende stelde dat de inspecteur een afwijkend beleid hanteerde waarin deze correcties wel werden toegepast, maar het hof vond dat belanghebbende dit niet aannemelijk had gemaakt. Het hof stelde de naheffingsaanslag vast op €2.177, verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond en dat van belanghebbende ongegrond, en vernietigde de uitspraak van de rechtbank, behoudens de kostenbeslissingen. Het griffierecht wordt niet vergoed en de proceskostenveroordeling voor de beroepsfase vervalt.

Uitkomst: Het hof vermindert de naheffingsaanslag bpm tot €2.177 en verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond en dat van belanghebbende ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/1100
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 13 april 2021, nummer AWB 19/6819, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Zowel belanghebbende als de inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 10 januari 2023 [1] heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en van de inspecteur gegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De staatssecretaris van Financiën heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 6 juni 2025 [2] (hierna: het verwijzingsarrest) heeft de Hoge Raad beide beroepen in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het hof).
1.6.
Zowel belanghebbende als de inspecteur heeft naar aanleiding van het verwijzingsarrest een conclusie na verwijzing ingediend.
1.7.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag bpm van € 2.748 opgelegd en bij beschikking € 53 belastingrente in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar is de naheffingsaanslag verminderd naar € 2.345 en is de belastingrente vastgesteld op € 46.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.346 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De rechtbank heeft daarnaast de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 1.598 (€ 530 voor de bezwaarfase en € 1.068 voor de beroepsfase) en gelast dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoedt.
2.3.
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en het hoger beroep van de inspecteur gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht, de naheffingsaanslag vastgesteld op € 1.372 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd.
2.4.
De Hoge Raad heeft beide beroepen in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd, behoudens voor zover de beslissing van de rechtbank over de vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar is bevestigd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil na cassatie betreft nog slechts het antwoord op de vraag of de inspecteur de naheffingsaanslag te hoog heeft vastgesteld. In het bijzonder is daarbij in geschil of belanghebbende bij de toepassing van de taxatiemethode – al dan niet op grond van beleid van de inspecteur – mag uitgaan van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat volgens de koerslijst Eurotaxglass’s met correctie voor de factoren markt- en dealersituatie.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 1.175 (primair) dan wel € 2.177 (subsidiair). De inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 2.177.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest het incidentele beroep in cassatie gegrond verklaard en onder verwijzing naar r.o. 3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:361, geoordeeld dat de inspecteur bij het doen van de uitspraak op bezwaar niet gehouden was om de correctiefactoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ (ook wel aangeduid als ‘dealersituatie’) toe te passen. In het arrest van 7 maart 2025 had de Hoge Raad als volgt geoordeeld:
“3.4 In dit geval staat vast dat belanghebbende voor het berekenen van de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde vermindering (afschrijving), heeft gekozen voor de in artikel 10, lid 8, van de Wet bedoelde taxatiemethode. Het hiervoor in 3.1 weergegeven standpunt, dat in het verweerschrift is onderschreven, berust op de opvatting dat indien de inspecteur bij naheffing van bpm een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet in aanmerking neemt die mede is gebaseerd op een koerslijst van Eurotax die de hiervoor in 2.4 vermelde factoren ‘marktsituatie’ en ‘marktsituatie handelaar’ bevat, hij steeds is gehouden die factoren toe te passen. Die opvatting is niet juist.
Zoals de Advocaat-Generaal in onderdeel 4.4 van de conclusie op basis van rechtspraak van de Hoge Raad heeft geconcludeerd, is de inspecteur gehouden de hiervoor bedoelde factoren uit eigen beweging toe te passen, maar alleen wanneer hij de afschrijving van een gebruikt motorvoertuig vaststelt met gebruikmaking van de zogenoemde koerslijstmethode als bedoeld in artikel 10, lid 7, van de Wet en aan de hand van de koerslijst van Eurotax van vóór 4 oktober 2021, waaruit de koerslijstwaarde van dat motorvoertuig op de datum van registratie volgt.
Blijft de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgaan van de keuze van de belastingplichtige voor toepassing van de taxatiemethode – zoals in dit geval –, dan volgt uit hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverwegingen 3.2.2 tot en met 3.2.6 van het arrest van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, heeft uiteengezet dat de inspecteur de hiervoor bedoelde factoren niet uit eigen beweging hoeft toe te passen.”
4.2.
De inspecteur heeft de toepassing van beide correctiefactoren betwist. Belanghebbende heeft na verwijzing gesteld dat zij geen gegevens of argumenten paraat heeft waarmee zij de factoren aannemelijk kan maken. Zij heeft echter tevens gesteld dat de inspecteur een beleid hanteerde inhoudende dat binnen de toepassing van de taxatiemethode voormelde correctiefactoren op de koerslijstwaarde van Eurotaxglass’s wel werd toegestaan. De inspecteur heeft het bestaan van dergelijk beleid ontkend. Het hof is van oordeel dat belanghebbende het bestaan van dergelijk beleid niet aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft geen nadere stukken overgelegd waaruit dat beleid zou kunnen volgen.
4.3.
Uitgaande van het voorgaande zijn partijen het eens over de na te heffen belasting. De naheffingsaanslag moet in dat geval worden verminderd naar € 2.177.
Tussenconclusie
4.4.
De slotsom is dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is en het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.5.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.6.
Het hof oordeelt dat er voor de fase van hoger beroep geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht. Aangezien het beroep bij de rechtbank wel gegrond is, blijft de door de rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding voor de procedure bij de rechtbank in stand. De vergoeding van de kosten van bezwaar is door de Hoge Raad al in stand gelaten.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond;
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de kosten bezwaar, de proceskosten beroep en het griffierecht;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 2.177;
  • vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, E.P.A. Brakeboer en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 10 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:142.
2.Hoge Raad 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:856.