Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Voor de bezwaarfase tegen de aanslag erfbelasting kent de inspecteur een forfaitaire kostenvergoeding toe van € 444. Die kostenvergoeding bestaat conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor verleende rechtsbijstand van door een beroepsmatige derde uit 1 punt met een waarde van € 296 voor het indienen van het bezwaarschrift maal wegingsfactor 1,5.
3.Geschil en conclusies van partijen
Heeft belanghebbende zijn gestelde proceskosten voldoende aannemelijk gemaakt?
Tevens verzoekt belanghebbende de inspecteur ex artikel 8:75 Awb Pro te veroordelen in de (werkelijke) kosten van dit geding [hof: kennelijk bedoelt belanghebbende de procedure bij de rechtbank] en van de hoger beroepsprocedure vanwege aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In zijn nader stuk in hoger beroep stelt belanghebbende dat de volledige kosten waarvoor hij vergoeding verzoekt in totaal € 48.132,58 bedragen.
4.Gronden
Voorts is de situatie ten aanzien van de zus van belanghebbende niet vergelijkbaar met die van belanghebbende, aangezien de zus, anders dan belanghebbende, wel een uitnodiging tot het doen van aangifte heeft gekregen en later enige malen om uitstel van aangifte heeft gevraagd, die haar ook is verleend.
Het hof constateert dat in deze brief niet om een uitnodiging tot het doen van aangifte wordt verzocht. Het is dan ook niet onzorgvuldig van de inspecteur dat hij belanghebbende niet heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte erfbelasting. Tevens is het begrijpelijk dat de inspecteur naar aanleiding van deze brief ervan uitging dat het indienen van een aangifte zou volgen zodra de omvang van de boedel bekend was geworden. Gelet hierop was de inspecteur niet gehouden vóór het opleggen van de aanslag enige actie te ondernemen. Belanghebbende heeft echter daarna geen nadere informatie meer verstrekt aan de inspecteur. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het niet onzorgvuldig is dat de inspecteur voor het verstrijken van de termijn een aanslag heeft opgelegd ter behoud van rechten. Eveneens acht het hof het niet onzorgvuldig dat de inspecteur bij gebrek aan enige informatie over de waarde van de verkrijging bij de aanslag is uitgegaan van een waarde van € 1.000.000. Dat moge een tamelijk willekeurig bedrag lijken, maar dat valt de inspecteur niet te verwijten nu belanghebbende geen nadere informatie heeft gegeven over de samenstelling en waarde van de erfrechtelijke verkrijging en duidelijk was dat deze aanmerkelijkbelangaandelen en meerdere trustvermogens omvatte. De niet onderbouwde stelling in de brief van 25 mei 2018 dat het naar de mening van de adviseur niet zal komen tot de heffing van erfbelasting mochten de legaten worden uitgekeerd, hoefde voor de inspecteur dan ook geen aanleiding te zijn om geen, dan wel een lagere aanslag erfbelasting op te leggen.
Voorts acht belanghebbende het willekeurig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat zijn zus als legataris 'met rust wordt gelaten' en belanghebbende rauwelijks een aanslag opgelegd krijgt voor een verkrijging van € 1.000.000 en vervolgens drie jaar door de inspecteur wordt bestookt met vragenbrieven en een aanvullende procedure in het kader van de informatiebeschikking.
De inspecteur betwist de veronderstelling van belanghebbende dat voor hem duidelijk moet zijn geweest dat de legaten geen waarde hadden, toen hij de aanslag erfbelasting aan de weduwe als erfgename oplegde. De legaten zijn gewoon niet meegenomen bij de aanslag erfbelasting voor de weduwe omdat deze niet de verkrijging van de weduwe raken. Als de legaten verworpen zouden worden zou dat een nieuw feit zijn.
De aangifte erfbelasting van belanghebbende van 22 februari 2022 was vervolgens onjuist en onvolledig, welk standpunt van de inspecteur belanghebbende niet dan wel onvoldoende heeft betwist. Het hof is dan ook van oordeel dat de informatiebeschikking van 29 september 2022 op dat moment dan ook terecht is gegeven.
Voorts is naar het oordeel van het hof de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd, gelet op de hierboven weergegeven toelichting en de langdurige gang van zaken rondom de informatieverzoeken.
Voorts blijkt uit bijlage 1 bij het verweerschrift in hoger beroep dat de zus herhaaldelijk om uitstel van aangifte heeft verzocht en verkregen. Zij heeft uiteindelijk pas op 6 augustus 2024, derhalve nog een jaar later dan belanghebbende, een nihilaanslag erfbelasting ontvangen. Bovendien komt uit de email-correspondentie naar voren dat de zus, anders dan belanghebbende, op geen enkele wijze inhoudelijk betrokken was bij de ondernemingen en zakelijke belangen van de vader en ook geen kennis of inzicht had in enig trustvermogen. Het is dan ook logisch dat de inspecteur niet bij haar maar bij belanghebbende getracht heeft de nodige informatie binnen te halen, temeer daar belanghebbende bij de in het legaat genoemde [ Vennootschap 1] werkzaam was.
Nu de inspecteur heeft kunnen afzien van het houden van een hoorgesprek was hij evenmin gehouden om op grond van artikel 7:4 Awb Pro alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken aan belanghebbende ter inzage te geven.
Het hof constateert dat de inspecteur in hoger beroep conform de beslissing van de rechtbank genoegzaam de op de zaak betrekking hebbende stukken van de zus heeft ingebracht, zodat belanghebbende daarvan kennis heeft kunnen nemen. Uit deze stukken blijkt echter niet dat deze informatie bevat die maakt dat de vragen van de inspecteur aan belanghebbende nodeloos zijn gesteld. Dat in het gespreksverslag van het gesprek op 14 december 2017 is terug te lezen dat in de vaststellingsovereenkomst van 2015, gesloten tussen de Belastingdienst en de zus, de aanspraak van de zus op het trustvermogen op nul was gewaardeerd, maakt dat niet anders, nu die afspraak gaat over de situatie ten tijde van het leven van de vader en het in casu om de waarde van het vermogen op het moment van overlijden van de vader.
Als reactie hierop heeft de inspecteur er ter zitting op gewezen dat het bezwaar tegen de informatiebeschikking een afzonderlijke procedure is. Belanghebbende had tegen de toekenning van een forfaitaire kostenvergoeding in de beslissing op bezwaar inzake zijn bezwaar tegen de informatiebeschikking in beroep kunnen gaan, maar dat heeft hij nagelaten. De kosten van [Advocatenkantoor] horen dan ook niet thuis in de onderhavige procedure, aldus de inspecteur.
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).