Art. 17 lid 3 Wet WOZArt. 17 lid 2 Wet WOZArt. 4 lid 2 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZArt. 220a GemeentewetArt. 2 lid 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen WOZ-beschikking verpleeghuis en woonzorgcentrum met geschil over waardebepaling en immateriële schadevergoeding
Belanghebbende, eigenaar en gebruiker van een verpleeghuis en woonzorgcentrum, betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag OZB gebruiker voor 2022. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar kende een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep stond centraal of de waarde van de onroerende zaak te hoog was vastgesteld, met name de correcties voor technische levensduur en restwaarde. De heffingsambtenaar baseerde zich op de Taxatiewijzer Verzorging en onderbouwde zijn waardering met taxatierapporten en verkooptransacties. Belanghebbende voerde aan dat de levensduur korter was vanwege sloopplannen en dat de restwaarde lager moest zijn.
Het hof oordeelde dat de sloopplannen op de waardepeildatum niet bekend waren en dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Ook verwierp het hof het lagere restwaardebedrag van belanghebbende wegens onvoldoende onderbouwing. De aanslag OZB gebruiker werd bevestigd. Wel werd de immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding verhoogd naar € 500 en de proceskostenvergoeding aangepast. Het hoger beroep werd gegrond verklaard voor deze onderdelen en de uitspraak van de rechtbank op die punten vernietigd.
Uitkomst: WOZ-waarde en OZB aanslag bevestigd, immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding verhoogd en toegewezen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1555
Uitspraak op het hoger beroep van
Stichting [belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 26 augustus 2024, nummer BRE 22/5787, in het geding tussen belanghebbende,
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1.Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] in [plaats 1] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen gebruiker niet-woning (hierna: OZB) en de aanslag rioolheffing gebruiker niet woning voor het jaar 2022 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ten aanzien van de onroerende zaak ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van het nadere stuk van de heffingsambtenaar van 25 februari 2026 met bijlagen V en VI.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens belanghebbende, [naam] en [taxateur 1] (taxateur) en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] , [heffingsambtenaar 2] en [taxateur 2] (taxateur).
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2.Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak, een verpleeghuis en woonzorgcentrum, gebouwd in 1988 (hierna: deel uit 1988) en uitgebreid in 1994 (hierna: deel uit 1994).
2.2.
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 4.204.000 en de heffingsgrondslag voor de aanslag OZB op € 1.113.000. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de waarden gehandhaafd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil is overschreden met vijf maanden en een schadevergoeding toegekend van € 50 per half jaar overschrijding, voor 2/5e deel voor rekening van de heffingsambtenaar (€ 20) en de rest voor rekening van de minister (€ 30). De heffingsambtenaar en de minister zijn veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende van respectievelijk € 104,62 en € 104,63 (in totaal € 209,25).
2.4.
Belanghebbende heeft in hoger beroep een taxatierapport overgelegd van taxateur [taxateur 1] en [taxateur 3] , werkzaam bij [bedrijf] B.V. van 14 oktober 2024 (hierna: het taxatierapport van belanghebbende), waarin wordt geconcludeerd tot die waarden.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd van [taxateur 2] van 29 januari 2026, waarin wordt geconcludeerd tot een waarde van de onroerende zaak van € 4.541.000 (hierna: het taxatierapport van de heffingsambtenaar). Bij het bepalen van de levensduur en restwaarde van de onroerende zaak is in dit rapport uitgegaan van de gemiddelden van de in de Taxatiewijzer Verzorging opgenomen gegevens (kengetallen). Ter onderbouwing van de in dit geval toegepaste kengetallen ten aanzien van de restwaardes heeft de heffingsambtenaar verwezen naar een aantal gerealiseerde verkoopcijfers.
3.3. Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
i) Is de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum te hoog vastgesteld?
ii) Is de heffingsgrondslag voor de aanslag OZB gebruiker te hoog vastgesteld? iii) Is de vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de proceskostenveroordeling tot een te laag bedrag vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vermindering van de WOZ-waarde tot € 1.615.000, tot vermindering van de aanslag OZB naar een grondslag van € 427.000 en tot veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten in bezwaar en in (hoger) beroep, tot vergoeding van de kosten van het in haar opdracht gemaakte taxatierapport en een immateriële schadevergoeding van in totaal € 500.
3.3.
De heffingsambtenaar concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep met betrekking tot de immateriële schadevergoeding en de proceskostenvergoeding, en voor het overige tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4.Gronden
Ten aanzien van het geschil
i) De waarde van de onroerende zaak
4.1.
Op grond van artikel 17, lid 3, Wet WOZ wordt - in afwijking van artikel 17, lid 2, Wet WOZ - de waarde van een onroerende zaak voor zover die niet tot woning dient, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge artikel 17, lid 2, Wet WOZ. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met (a) de aard en de bestemming van de zaak en (b) de sinds de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen (de gecorrigeerde vervangingswaarde).
4.2.
Ingevolge artikel 4, lid 2, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ - voor zover hier van belang - wordt de vervangingswaarde als bedoeld in artikel 17, lid 3, Wet WOZ berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak. De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die herbouw van een vervangend identiek object zouden vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur en met inachtneming van de restwaarde. De daaruit ontstane vervangingswaarde wordt vervolgens gecorrigeerd met een factor wegens functionele veroudering gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten.
Taxatiewijzer Verzorging
4.3.
De heffingsambtenaar heeft bij het vaststellen van de gecorrigeerde vervangingswaarde aangesloten bij de in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten tot stand gekomen Taxatiewijzer Verzorging. In deze taxatiewijzer zijn richtsnoeren en bijbehorende kengetallen gegeven voor de vaststelling van de gecorrigeerde vervangingswaarde van onroerende zaken die in gebruik zijn als verpleeghuis en verzorgingshuis. Die richtsnoeren en kengetallen zien onder meer op de levensduur en restwaarde van de onroerende zaken.
4.4.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad [1] volgt dat de richtlijnen in dergelijke taxatiewijzers en de daarbij opgenomen kengetallen zijn bedoeld als handvat voor de waardering van de daarin bedoelde objecten. Het zijn hulpmiddelen voor de heffingsambtenaar om de waarde van de onroerende zaak te bepalen in overeenstemming met het waardebegrip van artikel 17 vanPro de Wet WOZ. Of de algemene gegevens uit een taxatiewijzer en de daarbij opgenomen kengetallen daarmee in overeenstemming zijn, en de toepassing ervan daarom kan worden aanvaard, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en dient daarom per geval te worden beoordeeld, rekening houdend met de kenmerken en omstandigheden van de desbetreffende onroerende zaak.
4.5.
In de Taxatiewijzer Verzorging staat dat voor het bepalen van de gecorrigeerde vervangingswaarde moet worden beoordeeld of het te taxeren object afwijkt van de gemiddelde objecten die de basis hebben gevormd voor de kengetallen, en of er andere omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de resterende levensduur of de restwaarde afwijkt van de kengetallen. Ook staat in de Taxatiewijzer Verzorging dat de kengetallen zijn gebaseerd op de vervangingskosten van een object, exclusief btw.
Stelplicht en bewijslast
4.6.
Belanghebbende heeft de richtsnoeren van de Taxatiewijzer Verzorging niet als uitgangspunt aanvaard. Dat betekent dat de normale regels over stelplicht en bewijslast van toepassing zijn. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
4.7.
De heffingsambtenaar, die bij de waardebepaling is uitgegaan van de Taxatiewijzer Verzorging, dient feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waaruit volgt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. [2] Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt het hof toe aan de vraag of belanghebbende de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan het hof schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de waarde komen.
Het geschil in hoger beroep
4.8.
Partijen hebben tijdens de zitting bij het hof bevestigd dat bij de beoordeling kan worden uitgegaan van het laatste taxatierapport van belanghebbende (zie 2.4) en het laatste taxatierapport van de heffingsambtenaar (zie 2.5).
4.9.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting bij het hof bevestigd dat niet meer in geschil is de door de heffingsambtenaar in zijn taxatierapport gehanteerde: - grondwaarde; - correctiefactor wegens functionele veroudering; en
- bruto vervangingswaarde van de onroerende zaak.
4.10.
Het geschil spitst zich daarom toe op de correctie wegens technische veroudering: - de technische levensduur (van de ruwbouw); en - de restwaarde na de technische levensduur (van de ruwbouw, afbouw en installaties).
Technische levensduur
4.11.
De Taxatiewijzer Verzorging geeft voor een verpleeghuis (uit 1986-2000, archetype N3650000) en een verzorgingshuis (uit 1986-2000, archetype N5150000) beide een levensduur aan van 45-65 jaar voor ruwbouw, 20-30 jaar voor afbouw en 10-20 jaar voor installaties.
4.12.
De heffingsambtenaar gaat in zijn taxatierapport uit van een gemiddelde levensduur zoals aangegeven in de Taxatiewijzer Verzorging, te weten 55 jaar voor ruwbouw, 25 jaar voor afbouw en 15 jaar voor installaties. De heffingsambtenaar heeft, ondanks het feit dat de onroerende zaak op de waardepeildatum 33 jaar (deel uit 1988) en 27 jaar (deel uit 1994) oud was, de levensduur van afbouw en installaties niet verlengd. Hieraan ligt een inpandige opname van 8 maart 2023 ten grondslag, op grond waarvan is geconcludeerd dat geen sprake is geweest van grootschalige renovatie. Dit is door belanghebbende niet betwist.
4.13.
Belanghebbende heeft in haar taxatierapport de levensduur van de ruwbouw verkort naar 38 jaar (deel uit 1988) en 32 jaar (deel uit 1994), omdat zij rekening heeft gehouden met een sloop van de onroerende zaak vóór 2026. De heffingsambtenaar heeft hiertegen verweer gevoerd. Volgens de heffingsambtenaar heeft de sloop geen invloed op de gemiddelde levensduur van de ruwbouw. De sloopplannen waren op de waardepeildatum (1 januari 2021) nog niet bekend of gemeld, ook niet tijdens de hoorzitting in november 2021. Pas op 3 juli 2024 is een aanvraag voor sloop bij de gemeente ingediend, eind 2024 is het deel uit 1994 gesloopt en heeft het deel uit 1988 een opfrisbeurt gekregen, waarbij gangen opnieuw zijn geschilderd en het meubilair deels is vervangen, aldus de heffingsambtenaar.
4.14.
Het hof volgt de heffingsambtenaar hierin. Belanghebbende verkort de levensduur van de ruwbouw van 55 naar 38 en 32 jaar vanwege een voorgenomen sloop vóór 2026. De verkorte levensduur zoals voorgesteld door belanghebbende, gaat niet uit van een objectief maar een subjectief en op de peildatum (1 januari 2021) niet bekend sloopplan. De heffingsambtenaar stelt onweersproken dat de sloopplannen op de waardepeildatum (1 januari 2021) niet bekend of gemeld waren en dat op 3 juli 2024 pas een sloopaanvraag is ingediend. Daarnaast is het deel uit 1988 in 2024 opgefrist. Dit betekent dat een rechtvaardiging voor een kortere levensduur dan de gebruikelijke gemiddelde levensduur volgens de Taxatiewijzer Verzorging ontbreekt. Het sloopplan kan daarom geen invloed hebben op de vaststelling van de levensduur op de waardepeildatum.
Restwaarde na de technische levensduur
4.15.
De Taxatiewijzer Verzorging geeft voor een verpleeghuis (uit 1986-2000, archetype N3650000) en een verzorgingshuis (uit 1986-2000, archetype N5150000) beide een restwaarde aan van 25%-35% voor ruwbouw, 20%-30% voor afbouw en 15%-20% voor installaties.
4.16.
De heffingsambtenaar hanteert voor de ruwbouw, afbouw en installaties een restwaarde na de technische levensduur van respectievelijk 30%, 25% en 17%, binnen de bandbreedtes van de Taxatiewijzer Verzorging. Volgens de heffingsambtenaar is geen reden om hiervan af te wijken. Uit een inpandige opname volgt dat de onroerende zaak redelijk tot goed is onderhouden, zonder grootschalige renovaties. En uit een analyse van zes verkooptransacties van vergelijkbare zorglocaties binnen het gebied van de heffingsambtenaar en twee verkooptransacties daarbuiten, volgen restwaarden van ongeveer 29% tot bijna 70%, zodat ook in zoverre geen aanleiding bestaat voor een afwijking van voornoemde percentages. Daarbij was belanghebbende zelf de verkopende partij bij drie van de zes verkooptransacties ( [adres 2] in [plaats 2] , [adres 3] en [adres 4] , beide in [vestigingsplaats] ):
Adres
Jaarlijkse correctie restwaarde (%)
Bouwjaar
Leeftijd op transactiedatum
Restwaarde
[adres 2] te [plaats 2]
1,40
1989
36
49,46%
[adres 3] te [vestigingsplaats]
1,06
1970
54
42,80%
[adres 4] te [vestigingsplaats]
1980-1992
42-30
29,48%
[adres 5] te [plaats 3]
0,86
1986
36
68,98%
[adres 6] te [vestigingsplaats]
0,79
1977
45
64,35%
[adres 7] te [vestigingsplaats]
0,46
1955
65
69,81%
Landelijke transacties
Bouwjaar (grootste deel)
Transactiedatum
Berekende restwaarde
[adres 8] te [plaats 4]
1959
29-6-2021
39,40%
[adres 9] te [plaats 5]
1925
12-12-2016
33,4%
4.17.
Belanghebbende bepleit een restwaarde van 7,5% voor de onroerende zaak. Zij verwijst naar haar taxatierapport waarin is gekozen voor een restwaarde op (deel)objectniveau van 7,5%. Ook wijst belanghebbende op een door haar taxateur opgesteld onderzoeksrapport ‘Restwaarde zorgwoningen’, waaruit een gemiddelde restwaarde volgt van 4,2%. Dit rapport is gebaseerd op negen transacties, te weten [adres 10] in [plaats 6] , [adres 11] in [plaats 7] , [adres 12] in [plaats 8] , [adres 13] in [plaats 9] , [adres 14] in [plaats 10] , [adres 15] in [plaats 11] , [adres 16] in [plaats 7] , [adres 17] in [plaats 12] en [adres 18] in [plaats 13] . Op basis hiervan moet de conclusie worden getrokken dat de restwaarden in de Taxatiewijzer Verzorging te hoog zijn, aldus belanghebbende.
4.18.
Het hof volgt belanghebbende hierin niet. Met betrekking tot het taxatierapport van belanghebbende stelt het hof vast dat een nadere toelichting op de gestelde restwaarde van 7,5% ontbreekt. Uit het taxatierapport volgt slechts dat is gekozen voor dit percentage. Belanghebbende heeft tijdens de zitting bij het hof toegelicht dat referentiepanden zijn geanalyseerd, gemiddelden zijn berekend en dat daar in dit geval gemiddeld 7,5% uitkomt. Om welke referentiepanden en gemiddelden het gaat, is echter niet duidelijk gemaakt. Daarbij komt dat belanghebbende geen toelichting heeft gegeven op de door de heffingsambtenaar genoemde drie verkooptransacties waarbij zij zelf de verkopende partij was en die volgens de heffingsambtenaar leiden tot een restwaarde van ongeveer 29% tot bijna 50% (zie 4.16). Met betrekking tot het onderzoeksrapport ‘Restwaarde zorgwoningen’ kan het hof de keuze voor de negen transacties, waaruit een gemiddelde restwaarde zou volgen van 4,2%, ook niet controleren. Daarbij komt nog dat belanghebbende in dit onderzoeksrapport bij de berekening van het percentage restwaarde uitgaat van kengetallen inclusief btw, terwijl de kengetallen in de Taxatiewijzer Verzorging zijn gebaseerd op de vervangingskosten van een object exclusief btw (zie 4.5).
4.19.
De slotsom is dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van het onroerend goed op de peildatum niet te hoog is vastgesteld.
ii) De aanslag OZB gebruiker
4.20.
Niet in geschil is dat de onroerende zaak niet in hoofdzaak tot woning dient in de zin van artikel 220a Gemeentewet (hierna: Gw). Wanneer vaststaat dat een onroerende zaak op grond van het bepaalde in artikel 220a, lid 2, Gw niet in hoofdzaak tot woning dient, is de hoofdregel dat voor die onroerende zaak OZB gebruiker is verschuldigd.
4.21.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting bevestigd dat zij niet langer van mening verschilt over het door de heffingsambtenaar gehanteerde percentage van de waarde als grondslag voor de aanslag OZB gebruiker van niet-woningen, te weten 31,8%. Nu de vastgestelde waarde aannemelijk is, volgt de aanslag OZB gebruiker dit percentage. De aanslag OZB gebruiker is dan ook niet te hoog vastgesteld.
iii) De vergoeding voor immateriële schade
4.22.
Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft in de uitspraak van 26 augustus 2024 overwogen dat de heffingsambtenaar het bezwaarschrift van belanghebbende heeft ontvangen op 5 april 2022, als gevolg waarvan de redelijke termijn is overschreden met afgerond vijf maanden. Deze overschrijding is in hoger beroep niet in geschil.
4.23.
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2024 [3] en het door de Hoge Raad geformuleerde overgangsrecht ten aanzien van de bagatelgrens [4] , heeft de rechtbank de hoogte van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte bepaald op € 50 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding van € 500 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden.
4.24.
De redelijke termijn in deze procedure is overschreden met vijf maanden. Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) een halfjaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500, voor 2/5e deel toe te rekenen aan de bezwaarfase (€ 200) en voor het overige aan de beroepsfase (€ 300). Aan belanghebbende is door de heffingsambtenaar al een bedrag van € 20 vergoed en namens de minister een bedrag van € 30, zodat de heffingsambtenaar aanvullend een bedrag van € 180 en de minister aanvullend een bedrag van € 270 aan belanghebbende dient te vergoeden. Deze bedragen moeten worden betaald op een bankrekening op naam van belanghebbende.
Vergoeding van proceskosten in beroep
4.25.
De rechtbank heeft aan belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van het geding toegekend, uitgaande van één punt als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), met een waarde van € 875 en een wegingsfactor van 0,25. Belanghebbende heeft terecht betoogd dat dit leidt tot een bedrag van € 218,75. De rechtbank heeft in plaats daarvan een bedrag van € 209,25 toegekend, te betalen door de heffingsambtenaar (€ 104,62) en de minister (€ 104,63). Het hof zal de uitspraak in zoverre vernietigen en alsnog aan belanghebbende een bedrag toekennen van € 218,75, te betalen door de heffingsambtenaar (€ 109,37) en de minister (€ 109,38), onder verrekening van het al uitbetaalde bedrag.
Tussenconclusie
4.26.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.27.
De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank gedeeltelijk wordt vernietigd.
4.28.
Belanghebbende heeft bij de rechtbank geen griffierecht hoeven te betalen in deze zaak (zaaknummer BRE 22/5787). De rechtbank heeft deze zaak tegelijk behandeld met een samenhangende zaak (zaaknummer BRE 22/5786). Belanghebbende heeft voor de twee samenhangende zaken slechts éénmaal griffierecht van € 365 hoeven te betalen. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar en de minister in de samenhangende zaak veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van in totaal € 365 (ieder € 182,50). [5]
Ten aanzien van de proceskosten
4.29.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.30.
Het hof stelt de tegemoetkoming met toepassing van artikel 2, lid 2, Bpb voor de hoger beroepsfase vast op € 233,50.
4.31.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van € 90,75, inclusief btw, voor het bijwonen van de zitting bij het hof door de taxateur van belanghebbende. Aangezien het hoger beroep inhoudelijk ongegrond wordt verklaard, zal het hof dit verzoek afwijzen.
4.32.
Het totaalbedrag van de vergoeding van de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep is dan € 233,50.
4.33.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 vanPro het Bpb heeft gemaakt. Dit geldt ook voor een vergoeding van het door haar ingebrachte taxatierapport.
5 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissingen van de rechtbank over de vergoeding van immateriële schade en de vergoeding van de proceskosten;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 500, onder verrekening van het al uitbetaalde bedrag; - bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van in totaal € 559 vergoedt;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 109,37, onder verrekening van het al uitbetaalde bedrag (zie 4.25); - veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij de rechtbank van € 109,38, onder verrekening van het al uitbetaalde bedrag (zie 4.25);
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 233,50.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.