Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
HOOFDSTUK 3. VOORWAARDELIJKE MAKINGEN
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak gaat het om de vraag of een tweetrapsmaking (voorwaardelijke erfstelling) valt onder het begrip 'making' zoals bedoeld in artikel 1:441 lid 2 aanhef Pro en onder b BW, en of een bewindvoerder machtiging van de kantonrechter nodig heeft om namens een onder bewind gestelde erfgenaam een dergelijke erfstelling beneficiair te aanvaarden.
De bewindvoerder van de rechthebbende, die onder meerderjarigenbewind staat, verzocht om machtiging om de nalatenschap beneficiair te aanvaarden. De kantonrechter verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk omdat erfstellingen volgens hem niet onder 'making' vallen en de nalatenschap op grond van artikel 4:193 lid 2 BW Pro van rechtswege beneficiair is aanvaard.
Het hof analyseerde de wettelijke bepalingen en jurisprudentie, waaronder een recente uitspraak van de Hoge Raad, en constateerde onduidelijkheid en rechtsonzekerheid over de reikwijdte van 'making' en de verhouding tussen de genoemde wetsartikelen. Gezien het belang voor de rechtseenheid en de bescherming van onder bewind gestelden, besloot het hof prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen en hield het de zaak aan.
Uitkomst: Het hof stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de uitleg van 'making' in artikel 1:441 lid 2 BW en houdt de zaak aan.