Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1029

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
24/1585 en 24/1586
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 AWRArt. 27e AWRArt. 67a AWRArt. 9 AWRArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslagen inkomstenbelasting en Zvw na faillissement en geschil over verliesverrekening

Belanghebbende, voormalig beherend vennoot van een failliete onderneming, betwistte de ambtshalve opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2015. Hij stelde dat de aanslagen te hoog waren en dat een verlies uit werk en woning voor 2015 vastgesteld moest worden, dat verrekend zou moeten worden met de aanslag over 2016.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de aanslagen te hoog waren. De rechtbank vond dat de inspecteur een redelijke schatting had gemaakt van het belastbaar inkomen, mede gebaseerd op omzetbelastingaangiften en de meerwaarde van een pand dat in 2016 was verkocht. Ook de vrijval van de herinvesteringsreserve was volgens de rechtbank correct verwerkt. De verzuimboete wegens het niet tijdig indienen van aangifte werd eveneens als terecht beoordeeld.

Het hof bevestigde deze beoordeling en oordeelde dat belanghebbende geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden. Het beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs. Het hof wees ook proceskostenveroordeling af en bevestigde dat de aanslagen en boetes rechtmatig zijn opgelegd.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 niet te hoog zijn en wijst het hoger beroep van belanghebbende af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1585 en 24/1586
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 september 2024, nummers BRE 23/9102 tot en met 23/9104, in het geding tussen belanghebbende, en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2015 en 2016 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en bij de aanslag IB/PVV 2015 is bij beschikking een verzuimboete opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslagen. De inspecteur heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.
De griffier heeft verklaard dat belanghebbende bij bericht van 14 november 2025 is uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Dit bericht is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Uit het systeem (Mijn Rechtspraak) volgt dat op 14 november 2025 om 09:29 uur een notificatiemail naar het e-mailadres [e-mailadres] is verzonden. In de bijlage bij deze uitspraak, die integraal onderdeel uitmaakt van de uitspraak, zijn schermprinten van de statusinformatie van het verzendbewijs opgenomen.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende was beherend vennoot in het samenwerkingsverband [C.V.] (de onderneming). Op 18 augustus 2015 is belanghebbende failliet verklaard en is tevens het faillissement van de onderneming uitgesproken.
2.2.
Met betrekking tot de jaarcijfers van de onderneming staat het volgende vast:
  • de onderneming heeft in 2015 een omzet van € 31.747 behaald;
  • op de balans van de onderneming was een pand aan de [adres] in [woonplaats] (het pand) opgenomen. De eindbalans over 2015 vermeldt een boekwaarde van het pand van € 29.220. Op 16 september 2016 is het pand verkocht voor € 175.000;
  • in de jaren 2010, 2011 en 2012 is een herinvesteringsreserve (HIR) opgebouwd. Ten tijde van de staking van de onderneming beliep de HIR € 42.340.
2.3.
De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd en aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV 2015.
2.4.
Omdat belanghebbende geen aangifte heeft ingediend heeft de inspecteur een (ambtshalve) aanslag IB/PVV 2015 opgelegd. De inspecteur heeft de genoten inkomsten als volgt geschat:
Uitkering [N.V.]
€ 16.599
Uitkering Stichting Bedrijfspensioen voor de agrarische en voedselvoorziening en handel
€ 4.389
Resultaat uit overige werkzaamheden
€ 20.000
De aanslag IB/PVV 2015 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.988 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.898. Tevens is bij beschikking € 471 belastingrente in rekening gebracht. Daarnaast heeft de inspecteur vanwege het niet (tijdig) doen van aangifte een verzuimboete van € 369 opgelegd. De inspecteur heeft tevens een (ambtshalve) aanslag Zvw 2015 opgelegd naar een geschat bijdrage-inkomen van € 20.000. Tevens is bij beschikking € 60 belastingrente in rekening gebracht.
2.5.
Ter zitting bij de rechtbank is vast komen te staan dat het in 2.4 vermelde resultaat uit overige werkzaamheden (€ 20.000) winst uit onderneming moet zijn (€ 20.000).

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:
- zijn de aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 tot te hoge bedragen vastgesteld? Zo ja, dient een verlies uit werk en woning voor het jaar 2015 vastgesteld te worden en dient dit verlies dan te lijden tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2016?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 tot nihil en tot vaststelling van een verlies uit werk en woning. Daarnaast stelt belanghebbende het verlies uit werk en woning 2015 verrekend dient te worden met de aanslag IB/PVV 2016.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
Uitnodiging zitting
4.01.
Zoals volgt uit de onder 1.6 vermelde verklaring is de uitnodiging voor de zitting bij het hof op 14 november 2025 in Mijn Rechtspraak geplaatst. Op die dag is een e-mail verstuurd naar het e-mailadres [e-mailadres] . De gemachtigde van belanghebbende heeft zich aangemeld bij Mijn Rechtspraak en daarbij dit e-mailadres opgegeven. Dit is daarom het e-mailadres waar het systeem (Mijn Rechtspraak) de notificaties heen stuurt. Het hof gaat er daarom vanuit dat de e-mail met de notificatie aan het juiste e-mailadres is verstuurd. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. [1]
Beroep op betalingsonmacht griffierecht
4.02.
Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan met betrekking tot het voor de hoger beroepsprocedure verschuldigde griffierecht. De griffier van het hof heeft hierin geen aanleiding gezien van heffing van het griffierecht af te zien. Vervolgens heeft belanghebbende het griffierecht betaald.
4.03.
De omstandigheid dat het griffierecht is betaald staat niet in de weg aan de beoordeling van het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht. [2]
4.04.
Het beroep op betalingsonmacht wordt gehonoreerd als de vereiste actuele gegevens en bewijsstukken en eventuele nadere informatie binnen de daartoe gestelde termijn zijn ontvangen en op grond daarvan aannemelijk is dat sprake is van betalingsonmacht doordat (i) het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan (vanaf 1 januari 2021) 95 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, ongeacht de gezinssamenstelling van de rechtzoekende, en verder (ii) dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Hierbij dienen het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende. Het gaat hier om het inkomen en vermogen in de periode tussen het moment dat de griffier de rechtzoekende voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en het einde van de voor de betaling ervan gestelde termijn. [3]
4.05.
Belanghebbende heeft op het verzoek van de griffier om actuele gegevens en bewijsstukken en nadere informatie te overleggen niet gereageerd. De door belanghebbende eerder overgelegde documenten, namelijk een formulier waarop aangegeven is dat belanghebbende wel inkomen geniet, zonder bewijsstukken hiervan en een verzoek tot een voorlopige aanslag IB/PVV 2023, maken evenmin aannemelijk dat wordt voldaan aan de in 4.04 genoemde criteria. Het hof wijst daarom het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht af.
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Ten aanzien van het geschil heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:
“De aanslagen voor het jaar 2015
4.1.
Omdat het beroep voor het jaar 2015 gericht is tegen afwijzingen van verzoeken om ambtshalve vermindering rust op belanghebbende de last om (in beginsel) aannemelijk te maken dat de aanslagen te hoog zijn.
4.2.
Belanghebbende is uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2015, maar heeft vóór het vaststellen van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 geen aangifte ingediend, ook niet na de herinnering en aanmaning daartoe. Belanghebbende heeft daarmee ‘de vereiste aangifte’ niet gedaan, zodat in dit geval niet kan worden volstaan met het aannemelijk maken dat de aanslagen naar te hoge bedragen zijn opgelegd. Belanghebbende moet overtuigend aantonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn (de zogenaamde omkering en verzwaring van de bewijslast).1
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet bewezen (overtuigend aangetoond) dat de aanslagen voor het jaar 2015 te hoog zijn. Belanghebbende heeft in het algemeen aangevoerd dat het inkomen in een jaar van faillissement nooit positief kan zijn maar hij heeft geen overzicht gegeven van positieve en negatieve factoren voor het door hem gestelde verlies uit onderneming. Ook met de conceptjaarstukken, met hierin een negatief resultaat van € 45.387, is naar het oordeel van de rechtbank dat bewijs niet geleverd. In die stukken is geen rekening gehouden met de meerwaarde van het pand die er klaarblijkelijk, gezien de in 2016 gerealiseerde verkoopwinst, was. Daarnaast is de vrijval van de HIR onjuist berekend: de jaarstukken vermelden een bedrag van € 13.310, het bedrag van de HIR ultimo 2013, en niet het bedrag ultimo 2014 van € 42.340. Ten slotte is een post “buitengewone lasten” ter grootte van € 53.419 opgevoerd waarvan, met uitzondering van het bedrag van € 24.200 dat verband houdt met kosten van de curator, de juistheid niet is aangetoond.
4.4.
De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2015 geschat op € 40.988, waarvan € 20.000 winst uit onderneming. De andere inkomensposten bestrijdt belanghebbende niet. De inspecteur heeft de winst uit onderneming geschat op basis van de aangiften omzetbelasting die belanghebbende heeft ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aldus is uitgegaan van een redelijke schatting. Voor zover die inkomsten te hoog zouden zijn geschat, heeft de inspecteur bovendien terecht een beroep gedaan op interne compensatie in verband met hetgeen hiervoor in 4.3 is vermeld omtrent de HIR en het pand. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur er in redelijkheid vanuit kon gaan dat belanghebbende in verband met de staking winst uit onderneming heeft genoten uit de meerwaarde van het pand en de vrijval van de HIR die het in de jaarstukken vermelde verlies ruimschoots overtreffen.
4.5.
Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen heeft de inspecteur geschat op € 2.898. De inspecteur heeft zich daarbij gebaseerd op de gegevens die de bank heeft verstrekt. Ook dat acht de rechtbank redelijk.
4.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de aanslagen IB/PVV en Zvw 2015 juist zijn. Dat betekent dat de inspecteur voor dat jaar ook terecht geen verlies uit werk en woning heeft vastgesteld.
De aanslag voor het jaar 2016
4.7.
Omdat de rechtbank hiervoor (in 4.6) oordeelt dat er voor het jaar 2015 terecht geen verlies uit werk en woning is vastgesteld, is er ook terecht geen verlies uit werk en woning met het inkomen van het jaar 2016 verrekend.
De boete
4.8.
De inspecteur heeft de verzuimboete in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen opgelegd.2 Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een verzuim. Belanghebbende heeft immers ter zitting erkend dat hij geen aangifte IB/PVV 2015 heeft ingediend. De inspecteur heeft de boete dus terecht opgelegd. De rechtbank acht de boete ook passend en geboden. Boetematigende omstandigheden zijn door belanghebbende gesteld noch aannemelijk gemaakt.
De beschikkingen belastingrente
4.9.
De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen belastingrente. Belanghebbende heeft tegen deze beschikkingen geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding van de beschikkingen belastingrente af te wijken.”.
Onder vermelding van de volgende voetnoten:
“1. Artikel 25, derde lid en artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2. Artikel 67a in samenhang met artikel 9, derde lid, van de AWR.”.
4.2.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van het geschil op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en maakt dit oordeel tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nadere gronden aangevoerd die dit oordeel anders maken. Voorzover belanghebbende een betalingsregeling en/of (gedeeltelijke) kwijtschelding wenst af te spreken voor (een gedeelte van) zijn openstaande belastingschulden, dient hij zich te wenden tot de ontvanger van de belastingdienst.
Tussenconclusie
4.3.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.4.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.5.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, J.C.E. Ackermans-Wijn en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Bijlage: schermprinten van de statusinformatie van het verzendbewijs van de uitnodiging voor de zitting

Voetnoten

1.Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:158.
2.Hoge Raad 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651, r.o. 2.3.1.
3.Hoge Raad 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651, r.o. 2.2.4.