Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:3629

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/290
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet MRB 1994Art. 7 Wet MRB 1994Art. 13 Wet MRB 1994Art. 20 AWRArt. 34 Wet MRB 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep motorrijtuigenbelasting en boetebeschikking bij gebruik buitenlandse auto op Nederlandse weg

Belanghebbende, woonachtig in België maar ingeschreven in de Nederlandse Basisregistratie Personen, gebruikte een in Frankrijk geregistreerde auto op de Nederlandse openbare weg zonder motorrijtuigenbelasting te betalen. De inspecteur legde een naheffingsaanslag en boete op. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en matigde de boete.

In hoger beroep stelde het hof vast dat belanghebbende de auto feitelijk ter beschikking had, gebaseerd op politieverklaringen en het ontbreken van bewijs dat de eigenaar aanwezig was. De naheffingsaanslag werd daarom terecht opgelegd. De boete werd opgelegd wegens gebruik van een motorrijtuig zonder Nederlandse kentekenregistratie, wat gelijkstaat aan betalingsverzuim.

Het hof matigde de boete verder tot €500, rekening houdend met het bewijsvermoeden bij de naheffing en de financiële situatie van belanghebbende. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de boetebeschikking betreft.

Uitkomst: De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wordt bevestigd en de boete wordt gematigd tot €500.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/290
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [plaats 1] (België),
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 januari 2024, nummer BRE 22/5129, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: MRB) over de periode 8 april 2019 tot en met 7 maart 2022 opgelegd. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde] en een tolk, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende stond in de periode 21 augustus 2008 tot en met medio 2023 onafgebroken ingeschreven op een Nederlands adres in de Basisregistratie Personen (BRP).
2.2.
Bij een controle door de politie op 8 maart 2022 omstreeks 18.45 uur is geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van het motorvoertuig van het merk en type [merk] , met een buitenlandse (Frans) kenteken [kenteken] (hierna: de auto) gebruik maakte van de openbare weg in Nederland: [adres] in [plaats 2] . De auto staat sinds 8 april 2019 op naam van [naam 1] in het Franse kentekenregister geregistreerd. Voor de auto was geen motorrijtuigenbelasting in Nederland betaald. Een en ander is vastgelegd in een zogenoemd ‘Signaal buitenlands gekentekend motorrijtuig’.
2.3.
Volgens de verklaring van de politie heeft belanghebbende op 8 maart 2022 verklaard dat hij de auto van een vriend heeft geleend.
2.4.
Op 12 maart 2022 om 14.52 uur heeft [naam 2] van de Politie Eenheid Oost-Brabant een mutatierapport opgemaakt. Daarin staat het volgende vermeld:
“Toelichting bij incident
Wij, verbalisanten [naam 2] en [naam 3] , zagen de verdachte rijden op een openbare weg op [adres] te [plaats 2] . (...)
Ik, [naam 2] , hoorde dat de verdachte zei, dat het voertuig van een vriend van hem was en dat de vriend woonachtig was in [plaats 3] te Frankrijk.”
2.5.
Bij brief van 14 maart 2022 heeft de Belastingdienst belanghebbende gewaarschuwd voor het feit dat geconstateerd is dat hij op 8 maart 2022 gebruik heeft gemaakt van de openbare weg met een motorrijtuig met buitenlands kenteken. Deze waarschuwing geldt uitsluitend voor de eventuele heffing van de BPM. Tevens is aangegeven dat er mogelijk wel MRB is verschuldigd.
2.6.
Op 21 maart 2022 heeft de inspecteur een vooraankondiging gestuurd waarin hij het voornemen aangeeft om een naheffingsaanslag MRB met boete op te leggen. Belanghebbende heeft hierop gereageerd op 7 april 2022.
2.7.
De naheffingsaanslag is opgelegd met dagtekening 11 mei 2022 naar een bedrag van € 5.049. Tevens is bij beschikking een boete opgelegd van € 5.049.
2.8.
Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur bij e-mail van 23 augustus 2022 aan [naam 2] gevraagd of hij zich kan herinneren dat de eigenaar van de auto ook in het voertuig aanwezig was, zoals belanghebbende in het bezwaarschrift stelt. Daarop antwoordde [naam 2] :
“Deze staande houding c.q. verkeerscontrole kan ik mij nog heel goed herinneren.
De bestuurder die tevens niet de tenaamgestelde betrof was destijds alleen en verklaarde dat hij de auto van een vriend uit Frankrijk had geleend.”
2.9.
Bij brief van 2 augustus 2023 heeft de inspecteur verklaard dat als gevolg van een wijziging van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) de boete zal worden verlaagd naar 50% van de verschuldigde belasting.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de boetebeschikking en de boetebeschikking – overeenkomstig het onder 2.9 ingenomen standpunt – verminderd naar € 2.524 en de inspecteur gelast het griffierecht van € 50 te vergoeden.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd?
II. Is de boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van uitspraak van de rechtbank en vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag en boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
I. De naheffingsaanslag
4.1.
Ingevolge artikel 1, lid 1, Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB 1994) wordt MRB geheven ter zake van – onder meer – het houden van een personenauto.
4.2.
Volgens artikel 7, lid 1, aanhef en letter c, Wet MRB 1994 wordt een motorrijtuig gehouden door degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Een dergelijke houder wordt op grond van artikel 7, lid 3, Wet MRB 1994, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben indien hij in Nederland is ingeschreven in de BRP of verplicht was zich daartoe in te schrijven.
4.3.
Artikel 34, lid 1, Wet MRB 1994 maakt de naheffing van MRB mogelijk bij constatering van het feit dat met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig gebruik wordt gemaakt van de weg in Nederland, terwijl voor dat motorrijtuig geen MRB is betaald.
4.4.
Voor de buitenlands-kenteken-gevallen bedoeld in artikel 34 Wet Pro MRB 1994 bepaalt artikel 13, lid 2, Wet MRB 1994 de aanvang van het naheffingstijdvak. Het naheffingstijdvak vangt – voor zover van belang – aan met ingang van de dag waarop degene die het voertuig feitelijk ter beschikking heeft, is ingeschreven in de BRP en, zolang het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking staat, telkenmale drie maanden later. Dit vermoeden geldt tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan. In dat geval vangt het naheffingstijdvak aan met ingang van laatstbedoelde datum. Er kan tot maximaal vijf jaren na het einde van het kalenderjaar worden nageheven (artikel 20, lid 3, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)).
4.5.
Belanghebbende stelt dat slechts eenmaal is vastgesteld dat hij de auto bestuurde en dat de eigenaar naast hem zat, zodat geen sprake is van het houden van de auto in de zin van artikel 1, lid 1, Wet MRB 1994.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende alleen in de auto zat en dus de auto feitelijk ter beschikking had. Het hof verwijst naar het onder 2.2 vermelde signaal, waarin staat dat belanghebbende zou hebben verklaard dat de auto van een vriend is geleend en het onder 2.4 vermelde mutatierapport. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan deze consistente verklaringen. Indien de vriend, eigenaar van de auto, naast belanghebbende zou hebben gezeten, dan zou het voor de hand hebben gelegen dat belanghebbende zou hebben verklaard dat de auto van de persoon naast hem was en zou niet zijn gesproken over ‘lenen’. De door de eigenaar opgestelde verklaring die belanghebbende als bewijs heeft ingebracht is te algemeen en gaat niet specifiek over de staandehouding op 8 maart 2022. De verklaring van belanghebbende op de zitting bij de rechtbank mist ook betekenis, omdat belanghebbende daar verklaart dat hij samen met zijn vriend in [plaats 4] was, terwijl de constatering van de politie in [plaats 2] heeft plaatsgevonden.
4.6.
De Hoge Raad heeft in de arresten van 5 april 2019 [1] nader gepreciseerd hoe de bepaling van artikel 13 Wet Pro MRB 1994 moet worden toegepast. Daarin is geoordeeld dat de tegenbewijsregeling die is opgenomen in artikel 13, lid 2, Wet MRB 1994 zowel betrekking kan hebben op de aanvang van het tijdvak van naheffing, dat wil zeggen dat kan worden aangetoond dat de auto pas op een later tijdstip in Nederland ter beschikking heeft gestaan dan het tijdstip van inschrijving in de BRP, als ook op tussenliggende periodes waarin de auto de belastingplichtige niet ter beschikking heeft gestaan. Onder aantonen dient te worden verstaan: aannemelijk maken.
4.7.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet geslaagd is in het leveren van dit bewijs. De naheffingsaanslag is dan ook terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.
II. De boetebeschikking
4.8.
De boete is opgelegd op grond van artikel 67c AWR in samenhang met de artikelen 34 en 37 Wet MRB 1994. Dit betekent dat het gebruik van de weg met een motorijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven moet worden gelijkgesteld met een betalingsverzuim. [2] Een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig wordt in dit verband aangemerkt als een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven. [3] De inspecteur moet overtuigend aantonen dat gebruik van de weg is gemaakt met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven. Deze elementen komen in de plaats van de elementen die normaliter moeten worden bewezen om te concluderen tot een betaalverzuim op grond van artikel 67c AWR.
4.9.
Vast staat dat belanghebbende op 8 maart 2022 met de auto gebruik heeft gemaakt van de weg met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig. Het beboetbare feit is daarmee overtuigend aangetoond. Op grond van paragraaf 34 BBBB kan voor deze beboetbare gedraging een boete worden opgelegd van maximaal 50 procent van het bedrag aan belasting dat niet is betaald, met een minimum van € 50 en maximaal het wettelijk maximum van artikel 67c AWR.
4.10.
Voor het opleggen van de verzuimboete is niet van belang of belanghebbende opzet of grove schuld kan worden verweten. Alleen indien er sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas), hetgeen door belanghebbende niet is gesteld en overigens ook niet is gebleken, blijft een boete achterwege.
4.11.
Het hof zal beoordelen of de opgelegde boete, zoals verminderd door de rechtbank tot € 2.524, passend en geboden is. Bij de beoordeling of de opgelegde verzuimboete een passende en geboden sanctie is, moet de rechter rekening houden met alle relevante omstandigheden van het geval. Daartoe behoort - naast financiële omstandigheden - ook de omstandigheid dat de hoogte van de nageheven belasting is komen vast te staan met toepassing van het berekeningsvoorschrift dat is neergelegd in artikel 34, lid 2, tweede volzin, Wet MRB 1994 en de daarbij gehanteerde, weerlegbare bewijsvermoedens. De rechter moet in zijn uitspraak ervan blijk geven dat hij die omstandigheid in aanmerking heeft genomen. [4] Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt niet of de rechtbank hiermee rekening heeft gehouden. Het hof is van oordeel dat het feit dat de belasting is berekend met het berekeningsvoorschrift van artikel 34, lid 2, tweede volzin, Wet MRB 1994 in dit geval er toe moet leiden dat de boete op een lager bedrag moet worden vastgesteld. Het hof acht niet uitgesloten dat belanghebbende vaker gebruik zal hebben gemaakt van de auto van zijn vriend, mede gelet op de verklaring dat die vriend vaker in Nederland hem bezoekt, maar of dat voor de gehele naheffingsperiode geldt is onzeker.
Belanghebbende heeft voorts een beroep gedaan op zijn financiële omstandigheden en dat om die reden een matiging van de boete op zijn plaats is. Gemachtigde van belanghebbende treedt op basis van toevoeging op voor belanghebbende. In 2024 heeft om die reden nog een inkomenstoets plaatsgevonden op grond waarvan deze toevoeging is toegewezen. Het hof is dan ook van oordeel dat de financiële omstandigheden van belanghebbende van dien aard zijn, dat een matiging van de boete op zijn plaats is.
Alles afwegende acht het hof een boete van € 500 passend en geboden.
Tussenconclusie
4.12.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is, maar uitsluitend ten aanzien van de boetebeschikking.
Ten aanzien van het griffierecht
4.13.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.14.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.15.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten) [5] x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.818.
4.16.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar uitsluitend ten aanzien van het oordeel over de hoogte van de boetebeschikking;
  • vermindert de boete tot € 500;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.818;
  • bepaalt dat de inspecteur de kosten van het geding betaalt aan de rechtsbijstandverlener.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:482 en 483.
2.Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:972, r.o. 3.5.2.
3.Artikel 34, lid 1, Wet MRB 1994.
4.Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:482 en 483.
5.1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.