ECLI:NL:GHSHE:2025:3537

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
23/1569
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verzoek om teruggaaf omzetbelasting en ontvankelijkheid

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 10 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 september 2023. De zaak betreft een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting (OB) van € 98.000 over het eerste kwartaal van 2013, dat door de inspecteur van de Belastingdienst niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, maar de rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Het hof heeft de zitting op 29 oktober 2025 gehouden, waar belanghebbende en de inspecteur aanwezig waren. Belanghebbende stelde dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met artikel 10:3, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat zij beperkt was in haar mogelijkheden om zich te verweren. Het hof oordeelde dat de inspecteur niet in strijd heeft gehandeld en dat belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te verweren. Het hof concludeerde dat de verzoeken om teruggaaf terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, omdat deze niet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend. De omstandigheden die belanghebbende aanvoerde als reden voor de termijnoverschrijding werden niet als verschoonbaar erkend. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1569
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
Gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 september 2023, nummer BRE 22/2504, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft over het eerste kwartaal van 2013 om een teruggaaf van € 98.000 aan omzetbelasting verzocht. De inspecteur heeft bij beschikking van 11 april 2018 de verzoeken niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens belanghebbende, [bestuurder] , bestuurder, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is onderdeel van een concern waarbij [bestuurder] bestuurder dan wel (indirect) directeur-grootaandeelhouder is van alle vennootschappen. Tot het concern behoort onder meer ook [A BV] , voorheen [B BV] ( [B BV] ).
2.2.
Belanghebbende heeft in de jaren 2010 tot en met 2012 facturen voor managementfees en huur verzonden aan [B BV] . Op de facturen staat omzetbelasting (OB) vermeld. De facturen zijn niet betaald.
2.3.
Belanghebbende heeft in de ingediende kwartaalaangiften OB over de jaren 2010, 2011 en 2012 geen omzet en geen verschuldigde OB aangegeven. Belanghebbende heeft verklaard dat zij het kasstelsel heeft toegepast. [B BV] heeft de door belanghebbende gefactureerde OB in haar aangiften als voorbelasting in aftrek gebracht.
2.4.
[B BV] is op 26 maart 2013 failliet verklaard.
2.5.
Naar aanleiding van een boekenonderzoek zijn aan belanghebbende naheffingsaanslagen OB opgelegd over onder meer de jaren 2010 tot en met 2012 (de naheffingsaanslagen). Daarbij zijn de bedragen aan OB die zijn vermeld op de aan [B BV] gerichte facturen nageheven. Over de naheffingsaanslagen is geprocedeerd en deze zijn inmiddels definitief komen vast te staan (HR 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1196). Belanghebbende heeft de naheffingsaanslagen niet betaald.
2.6.
Belanghebbende heeft verzoeken om teruggaaf van OB van in totaal € 98.000 ingediend wegens oninbare vorderingen op [B BV] .
2.7.
De inspecteur heeft de verzoeken aangemerkt als een verzoek om teruggaaf over het eerste kwartaal van 2013 en wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Hij heeft de verzoeken vervolgens ambtshalve beoordeeld, maar daarin geen aanleiding gezien een teruggaaf OB te verlenen.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft, naar het hof begrijpt, het antwoord op de volgende vragen:
I. Heeft de inspecteur in strijd heeft gehandeld met artikel 10:3, lid 3, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)?
II. Is belanghebbende beperkt in haar mogelijkheden zich te verweren?
III. Zijn de verzoeken om teruggaaf terecht niet-ontvankelijk verklaard en zo nee, heeft belanghebbende recht op teruggaaf?
IV. Is de uitspraak van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en van de beschikking en tot verlening van de gevraagde teruggaaf. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
I. Heeft de inspecteur in strijd heeft gehandeld met artikel 10:3, lid 3, Awb?
4.1.1.
Belanghebbende heeft ter zitting gesteld – naar het hof begrijpt – dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met artikel 10:3, lid 3, Awb. Volgens belanghebbende mag [inspecteur 1] niet in de hogerberoepsfase betrokken zijn, omdat zij ook al bij de beroepsfase betrokken is geweest.
4.1.2.
Op grond van artikel 10:3, lid 3, Awb wordt een mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. De strekking van deze bepaling brengt mee dat de heroverweging in de bezwaarschriftprocedure moet geschieden door een ander dan degene die in feite het primaire besluit heeft genomen. Het gaat hier om een essentieel voorschrift bij overtreding waarvan moet worden geoordeeld dat de beslissing op het bezwaarschrift onbevoegd is genomen.
4.1.3.
Het hof oordeelt als volgt. Artikel 10:3, lid 3, Awb brengt niet mee dat in de beroeps- en hogerberoepsfase namens de inspecteur verschillende personen betrokken moeten zijn. Een dergelijke beperking volgt niet uit de door belanghebbende genoemde bepaling in de Awb, die over het opleggen van de belastingaanslag en de behandeling van het daartegen gerichte bezwaar gaat. De beroepsgrond slaagt niet.
II. Is belanghebbende beperkt in haar mogelijkheden zich te verweren?
4.2.1.
Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat zij zich niet goed heeft kunnen verweren, omdat de inspecteur op het voorblad van het verweerschrift het zaaknummer BK-SHE 23/1171 heeft vermeld en uit navraag door belanghebbende bij het hof is gebleken dat dit kenmerk niet bekend is dan wel op een geheel andere zaak betrekking heeft.
4.2.2.
Het hof oordeelt als volgt. Belanghebbende heeft het verweerschrift ontvangen en heeft zich tegen de daarin opgenomen standpunten kunnen verweren. Dat op het voorblad een onjuist zaaknummer is vermeld doet daar niet aan af. Voor belanghebbende moet bovendien duidelijk zijn geweest op welke zaak het verweerschrift betrekking heeft, omdat het juiste zaaknummer wel is vermeld op de begeleidende brief bij het verweerschrift en onder de op iedere pagina van het verweerschrift vermelde referentie. De beroepsgrond slaagt niet.
III. Zijn de verzoeken om teruggaaf terecht niet-ontvankelijk verklaard?
4.3.1.
Volgens artikel 31 Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) moet een verzoek om teruggaaf van OB worden gedaan bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Dit vereiste geldt ook voor het verkrijgen van teruggaaf op grond van artikel 29, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet OB (tekst tot 1 januari 2017). Op grond van die bepaling wordt aan de ondernemer op zijn verzoek teruggaaf verleend van de belasting ter zake van leveringen en diensten, voor zover de vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen.
4.3.2.
Het hiervoor bedoelde recht op teruggaaf kan niet eerder worden geacht te zijn ontstaan dan op het tijdstip waarop redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voldoening van de vergoeding door de schuldenaar achterwege zal blijven. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de ondernemer/crediteur enige beoordelingsvrijheid heeft met betrekking tot de vraag of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven. Het verzoek om teruggaaf moet evenwel uiterlijk worden gedaan bij de aangifte over het eerste tijdvak waarin betaling van de vergoeding in rechte niet meer kan worden gevorderd (vgl. HR 16 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0274, onder 4.3.).
4.3.3.
Het voorgaande brengt mee dat de vraag of het verzoek om teruggaaf is gedaan bij de aangifte over het door artikel 31 Wet OB aangewezen tijdvak, moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de betrokken ondernemer/crediteur. In het geval van belanghebbende heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het verzoek te laat is gedaan. In een dergelijk geval dient de inspecteur de feiten te stellen en zo nodig te bewijzen die meebrengen dat de ondernemer/crediteur al in een eerder tijdvak, op grond van de hem in dat tijdvak bekende feiten en omstandigheden, in redelijkheid geen andere conclusie had kunnen trekken dan dat voldoening niet meer te verwachten was (vgl. HR 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:858, onder 2.3.3.).
4.3.4.
Belanghebbende heeft in een brief van 18 januari 2017 gereageerd op vragen van de inspecteur met betrekking tot de naheffingsaanslagen. In die brief staat onder meer:
“De financiële situatie met betrekking tot [B BV] was in 2011 al dermate dat nimmer gerekend mocht worden op een betaling van openstaande facturen. Dat had enerzijds te maken met het opzeggen van het krediet aan [B BV] en anderzijds met de houding die de [bank] had met betrekking tot de verder verstrekte financieringen aan [C] waarop ook de nodige achterstanden waren.”
4.3.5.
In een brief van belanghebbende van 23 november 2017 – in reactie op vragen van de inspecteur over de teruggaafverzoeken – staat onder meer:
“1. Dat de oninbaarheid redelijkerwijs aannemelijk is geworden is begin 2013. Dat ontstond nadat de [bank] overging tot verkopen van het bedrijfspand terwijl er op dat moment vorderingen waren in de nieuwe opzet van de bedrijfsvoering in het bedrijfspand waarin [B BV] een centrale rol zou gaan spelen. Dat werd echter door de [bank] teniet gedaan.”
4.3.6.
Belanghebbende heeft bij brief van 7 september 2018 het bezwaarschrift gemotiveerd. In die brief staat onder meer:

Op de eerste plaats gaan wij in op de ontvankelijkheid.
a. In het schrijven van de Belastingdienst van 11 april 2018 wordt onder de kop ‘verzoek ambtshalve teruggave” gesteld dat het verzoek niet tijdig is ingediend. Uit
produktie 1die wij als bijlage meezenden mag blijken dat wij het verzoek tot teruggave al in januari 2016 hebben gedaan.
b. (…)
c. Dat de Belastingdienst dat pas veel later in behandeling heeft genomen kan ons niet worden verweten.
d. Gezien de termijn van 5 jaar die er is voor het verzoeken van teruggaaf van btw over oninbare vorderingen kan er geen sprake zijn van het niet tijdig indienen van het verzoek en is bezwaar tegen de beslissing van tijdigheid wel degelijk terecht.”
4.3.7.
Gelet op het feit dat [B BV] op 26 maart 2013 failliet is verklaard en de verklaringen onder 4.3.4 en 4.3.5, is uiterlijk begin 2013 komen vast te staan dat voldoening van de vorderingen van belanghebbende op [B BV] redelijkerwijs niet meer te verwachten was. Een verzoek om teruggaaf had dan ook uiterlijk bij de aangifte over het eerste kwartaal van 2013 moeten worden gedaan. Anders dan belanghebbende stelt, is hiervoor niet van belang dat de naheffingsaanslagen pas in 2015 en 2016 zijn opgelegd. De verzoeken om teruggaaf hebben namelijk betrekking op OB over de periode 2010 tot en met 2012 die al eerder verschuldigd was geworden. Dit betekent dat de verzoeken om teruggaaf buiten de daarvoor gestelde termijn zijn gedaan, ook indien er met belanghebbende vanuit wordt gegaan dat de verzoeken niet in 2017 maar al in januari 2016 zijn ingediend.
4.3.8.
Belanghebbende stelt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hiertoe voert de bestuurder aan dat hij in de periode van 2010 tot 2020 medische en psychische problemen had, niet goed in staat was inhoudelijk te reageren en geheel op zichzelf was aangewezen.
4.3.9.
Het hof overweegt dat een schriftelijk verzoek voor het verkrijgen van teruggaaf op grond van artikel 29, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet OB (tekst tot 1 januari 2017) een verzoekschrift is als bedoeld in artikel 60 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Dat artikel bepaalt dat op een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift artikel 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing is. Dit betekent dat de inspecteur een na afloop van de gestelde termijn ingediend verzoek in behandeling moet nemen indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.3.10.
Op 4 maart 2019 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. In het verslag van dat gesprek staat onder meer:
“Mevrouw [naam 1] geeft aan dat de termijnen strikt zijn. Binnen één maand na afloop van het tijdvak waarin vaststaat dat niet betaald wordt, moet het verzoek worden gedaan.
Mevrouw [naam 2] vraagt hoe belanghebbende had moeten weten wat de termijnen zijn. Mevrouw [naam 3] geeft aan dat dit hoort bij het ondernemen, zich vergewissen van de fiscale en administratieve rechten en plichten.
(…)
De gezondheidstoestand van de heer [bestuurder] kan bijgedragen hebben aan de late indiening van het verzoek. Deze stelling dient te worden onderbouwd. Er was ook sprake van calamiteiten in 2013/2014 omdat zowel het bedrijfspand als de privéwoning executoriaal zijn verkocht.”
4.3.11.
Belanghebbende heeft naar aanleiding van het hoorgesprek een brief met dagtekening 16 maart 2019 aan de inspecteur gestuurd. Belanghebbende heeft in die brief meer inzicht gegeven in de omstandigheden bij de groepsvennootschappen en de medische en psychische gevolgen daarvan bij de bestuurder en zijn gezin. In die brief staat verder onder meer:
“Daarnaast heb ik nog contact gehad met de heer [naam 4] van kantoor [kantoornaam] , belastingadviseurs in [plaats] .
Mij is duidelijk geworden dat de Belastingdienst mijn verzoek, zoals u beiden ook al aangaf, ambtshalve dient te af te wikkelen. Voor ambtshalve afhandeling staat een termijn van 5 jaar zoals ik eerder al heb aangegeven in mijn bezwaar. Ruimschoots binnen die termijn is het verzoek ingediend Daarbij zij nogmaals aangetekend dat vaststaat dat de genoemde huur c.q. omzetbelasting oninbare facturen bleken te betreffen. De verschoonbaarheid speelt hier dan ook geen rol.”
4.3.12.
Hoewel het hof begrip heeft voor de situatie van belanghebbende, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Belanghebbende is niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Het hof acht het gelet op de verklaringen onder 4.3.6, 4.3.10 en 4.3.11 veeleer aannemelijk dat de niet tijdige indiening van de verzoeken om teruggaaf het gevolg is van een onjuiste veronderstelling over de daarvoor geldende termijn. Dit dient aan belanghebbende te worden toegerekend. Voor zover de termijnoverschrijding niet aan belanghebbende zou kunnen worden toegerekend, heeft belanghebbende bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij de verzoeken zo spoedig mogelijk heeft ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat het gaat om een termijnoverschrijding van bijna drie jaar, indien er met belanghebbende vanuit wordt gegaan dat de verzoeken niet in 2017 maar in januari 2016 zijn ingediend. Dat de omstandigheden die belanghebbende noemt, de bestuurder zouden hebben belet de teruggaafverzoeken eerder in te dienen, is chronologisch niet vast komen te staan. Over de periode tussen 2013 en 2016 heeft belanghebbende immers niets aangevoerd. De bestuurder was betrokken bij het boekenonderzoek en de daarop volgende procedure over de naheffingsaanslagen en de teruggaafverzoeken. Dat het hem door de genoemde – voor hem nare – omstandigheden in de periode tussen het faillissement van [B BV] en het boekenonderzoek niet mogelijk was de verzoeken in te dienen, is niet aannemelijk gemaakt. Het komt het hof voor dat de bestuurder zich heeft vergist in het gebruik van het kasstelsel. Door deze vergissing was de bestuurder – en met hem belanghebbende – in de onjuiste veronderstelling dat de OB-schuld na het faillissement van [B BV] niet meer bestond. Deze vergissing komt voor rekening van belanghebbende.
4.3.13.
Nu belanghebbende de teruggaafverzoeken niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, heeft de inspecteur de verzoeken terecht niet-ontvankelijk verklaard. Aan de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken komt het hof niet toe.
4.3.14.
Voor zover belanghebbende beoogd heeft beroep in te stellen tegen de afwijzing van de verzoeken in het kader van de ambtshalve beoordeling, overweegt het hof dat die beslissing van de inspecteur een beschikking als bedoeld in artikel 65 AWR is. Tegen een dergelijke beschikking staat geen beroep open bij de belastingrechter. Artikel 26 AWR bepaalt dat beroep bij de belastingrechter alleen open staat tegen een op grond van de belastingwet genomen besluit als dat besluit een belastingaanslag is of een voor bezwaar vatbare beschikking. Een beschikking op grond van artikel 65 AWR is echter niet als zodanig aangemerkt. Belanghebbende kan tegen die beslissing slechts opkomen door een beroep te doen op de burgerlijke rechter.
IV. Is de uitspraak van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd?
4.4.1.
Belanghebbende stelt – naar het hof begrijpt – dat de uitspraak van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd. Volgens belanghebbende kan het arrest van de Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 geen onderbouwing vormen voor de afwijzing van de verzoeken om teruggaaf.
4.4.2.
Het hof stelt vast dat het standpunt van belanghebbende is gebaseerd op een onjuiste lezing van de uitspraak van de rechtbank. De desbetreffende voetnoot in de uitspraak ziet namelijk op de toekenning van de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor de onderbouwing van het oordeel over de ontvankelijkheid verwees de rechtbank in een andere voetnoot naar een (oud) arrest van de Hoge Raad. Dat dit arrest voor belanghebbende moeilijk vindbaar is, is vervelend voor belanghebbende, maar is geen grond om het hoger beroep gegrond te verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Tussenconclusie
4.5.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.6.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.7.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door L.D.M.A. Reijs, voorzitter, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van T. van Hout, als griffier.
De griffier, De voorzitter,
T. van Hout L.D.M.A. Reijs.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 en de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.