Belanghebbende, eigenaar van een verhuurde onroerende zaak, diende een verzoek in tot teruggaaf van omzetbelasting nadat de huurder vanaf 2010 geen huur meer betaalde en in 2012 een vaststellingsovereenkomst werd gesloten waarin werd erkend dat toekomstige huurtermijnen niet zouden worden voldaan. Belanghebbende werd in 2014 failliet verklaard en de curator vroeg teruggaaf van omzetbelasting aan. Het hof oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend omdat al in 2012 vaststond dat betaling niet meer te verwachten was.
De Hoge Raad bevestigde dat het verzoek om teruggaaf moet worden gedaan bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf ontstaat, namelijk wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat betaling achterwege blijft. De ondernemer heeft beoordelingsvrijheid, maar kan niet bij een later tijdvak alsnog een verzoek indienen als eerder al vaststond dat betaling niet meer te verwachten was.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet buiten de grenzen van het geschil trad door te concluderen dat het verzoek te laat was gedaan en dat het hof niet verplicht was de zitting te schorsen voor nadere reactie. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet aan belanghebbende opgelegd.