ECLI:NL:GHSHE:2025:3448

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
24/640
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 7:4 AwbArt. 26 AWRArt. 8:5 AwbArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2021 ongegrond verklaard

Belanghebbende ontving in 2021 een bijstandsuitkering van €6.349, terwijl de overheidsinstelling aan de Belastingdienst een bedrag van €9.470 doorgaf. Belanghebbende gaf dit hogere bedrag ook aan in zijn aangifte IB/PVV 2021, ingevuld met hulp van de Belastingdienst. Na bezwaar en een correctie van de aanslag door de inspecteur, waarbij het inkomen werd aangepast naar €6.349, bleef de aanslag ongewijzigd na uitspraak van de rechtbank.

Belanghebbende stelde dat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld en dat hij recht had op vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur redelijkerwijs mocht uitgaan van de door de overheidsinstelling en belanghebbende verstrekte gegevens en dat het niet aan de inspecteur te wijten was dat de aanslag aanvankelijk te hoog was vastgesteld. Ook werd geoordeeld dat de rechtbank niet bevoegd was om te oordelen over de verrekening van teruggaafbedragen.

Het hof bevestigt deze oordelen en wijst het hoger beroep af. Het hof benadrukt dat belanghebbende zelf verantwoordelijk is voor de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens, ook al is de aangifte met hulp van de Belastingdienst ingevuld. Het hof kent geen vergoeding toe voor griffierecht of proceskosten. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 3 december 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2021 blijft ongewijzigd met afwijzing van kostenvergoeding en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/640
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 april 2024, nummer BRE 23/414, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021 (hierna: de aanslag) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
In 2021 heeft belanghebbende van [overheidsinstelling] [1] een bijstandsuitkering ontvangen van in totaal € 6.349. [overheidsinstelling] heeft aan de Belastingdienst doorgegeven dat de totale bijstandsuitkering in 2021 € 9.470 bedroeg.
2.2.
Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2021 een belastbaar inkomen uit werk en woning vermeld van € 9.470, het bedrag dat [overheidsinstelling] aan de Belastingdienst had doorgegeven.
Belanghebbende heeft zijn aangifte ingevuld met behulp van de Belastingdienst (HUBA). Belanghebbende heeft na afloop de zogenoemde meegeefbrief ontvangen. Hierin staat onder meer:
“Deze aangifte is ingevuld op basis van de door u verstrekte gegevens. De aangifte wordt op dezelfde manier beoordeeld en behandeld als aangiften die zonder invulhulp van de Belastingdienst zijn ingediend. U kunt geen rechten ontlenen aan de invulhulp.”
2.3.
Gedurende de bezwaarfase, op 16 november 2022, heeft een medewerker van [overheidsinstelling] de inspecteur het volgende gemaild:
“Wij hadden op 14 november 2022 telefonisch contact over de jaaropgave 2021 van [belanghebbende].
Ik kan u thans mededelen dat de vergoeding van de proceskosten ad. € 3.121,00 en daarop gevolgde verrekening met een openstaande schuld administratief helaas niet goed verwerkt zijn. Dit betekent dat het fiscaal loon van 2021 € 6.349,00 bedroeg.”
2.4.
De inspecteur heeft vervolgens bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomsten uit werk en woning van € 6.349. De vermindering van de aanslag leidde tot een ‘te ontvangen of te verrekenen bedrag’ van € 675. De inspecteur heeft geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase aan belanghebbende toegekend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en geoordeeld dat belanghebbende (i) geen recht heeft op vergoeding van de kosten van de bezwaarfase, (ii) het door hem betaalde griffierecht niet terugkrijgt en (iii) ook geen vergoeding van zijn proceskosten in de beroepsfase krijgt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat zij niet mag oordelen over de juistheid van een beschikking van de ontvanger waaruit blijkt dat de teruggaaf is verrekend.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de in 2.5. genoemde oordelen van de rechtbank juist zijn. De hoogte van de aanslag, zoals deze luidt na vermindering, is niet in geschil.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
De rechtbank heeft haar oordelen als volgt gemotiveerd:
“Formele geschilpunten
Inzagerecht
6. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur pas in de beroepsfase interne e-mailwisselingen heeft overgelegd. Volgens belanghebbende is dat in strijd met het inzagerecht en had de inspecteur deze stukken al in een eerdere fase moeten overleggen.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het inzagerecht in dit geval niet geschonden. De inspecteur is volledig aan het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2021 tegemoetgekomen. De inspecteur mocht dus afzien van het horen van belanghebbende.2 Dat geldt dan ook voor het verlenen van inzage in de stukken, aangezien het inzagerecht is gekoppeld aan het hoorrecht3. De inspecteur heeft belanghebbende niettemin een (redelijke) termijn gesteld om aan te geven of hij gebruik wil maken van zijn hoor- en inzagerecht. Uit de stukken blijkt niet dat belanghebbende daarop op enig moment heeft gereageerd. Ook om die reden mocht de inspecteur in de bezwaarfase dus afzien van het horen van belanghebbende en het verlenen van inzage in de stukken.
Bekendmaking van de uitspraak op bezwaar
7. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur de uitspraak op bezwaar op onjuiste wijze bekend heeft gemaakt omdat de uitspraak op bezwaar niet aan de gemachtigde is toegezonden.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat onregelmatigheden die zich na het nemen van het besluit kunnen voordoen, zoals een onjuiste wijze van bekendmaking van de uitspraak op bezwaar, niet van belang zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit. Deze kunnen wel van belang zijn voor bijvoorbeeld de beoordeling of de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is. Dat is hier echter niet aan de orde, want het beroepschrift is binnen de beroepstermijn ingediend. Aan de onjuiste bekendmaking van de uitspraak op bezwaar zal de rechtbank daarom geen gevolgen verbinden.
Verrekening van terug te ontvangen IB/PVV
8. Belanghebbende voert aan dat hij het bedrag dat hij op basis van de aanslag IB/PVV 2021, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, terug moet ontvangen niet heeft gekregen omdat het is verrekend. Volgens belanghebbende is verrekening in dit geval onredelijk omdat hij een inkomen heeft onder het sociaal minimum.
8.1.
Tot de gedingstukken behoort geen beslissing van de ontvanger waaruit blijkt dat de teruggaaf is verrekend. Maar de rechtbank kan sowieso niet over de juistheid van zo’n beslissing oordelen. Het is namelijk niet mogelijk om daartegen beroep bij de belastingrechter in te stellen; de civiele rechter is de bevoegde rechter4.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
9. Belanghebbende stelt dat pas na veel gedoe is vast komen te staan dat de inspecteur is uitgegaan van een onjuist inkomensgegeven. Er is volgens belanghebbende sprake van ernstig onzorgvuldig handelen aan de zijde van de inspecteur.
9.1.
De inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2021 uitgegaan van het inkomensgegeven dat [overheidsinstelling] aan de Belastingdienst heeft doorgegeven. Dat inkomen heeft belanghebbende ook zelf aangegeven in zijn aangifte IB/PVV 2021. De inspecteur was naar het oordeel van de rechtbank bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2021 in redelijkheid niet gehouden om te twijfelen aan de juistheid van het inkomensgegeven dat [overheidsinstelling] en belanghebbende aan hem hebben doorgegeven. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag dus niet onzorgvuldig gehandeld. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende in de bezwaarfase enige moeite heeft moeten doen om de inspecteur ervan te overtuigen dat de aanslag IB/PVV 2021 te hoog is vastgesteld. Dat is echter begrijpelijk, want de inspecteur beschikte over informatie waaruit een hoger inkomen volgde. Uiteindelijk heeft de inspecteur na contact met [overheidsinstelling] de aanslag IB/PVV 2021 toch verminderd. Deze gang van zaken in de bezwaarfase acht de rechtbank niet onzorgvuldig.
Kostenvergoeding bezwaarfase
10. Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op een vergoeding van zijn kosten in de bezwaarfase. Volgens belanghebbende komt het voor rekening van de inspecteur dat de aanslag IB/PVV 2021 te hoog is vastgesteld.
10.1.
De rechtbank stelt voorop dat het gebruik van onjuiste informatie die door andere instanties aan de inspecteur wordt doorgegeven als uitgangspunt voor rekening en risico van de inspecteur komt.5 In dit geval vermeldt echter ook de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV 2021 een inkomen van € 9.470. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen hoefde de inspecteur dan ook in redelijkheid niet te twijfelen aan de juistheid van dit bedrag (zie 9.1.); het is dan ook niet onredelijk dat de aanslag is vastgesteld conform die aangifte. De omstandigheid dat belanghebbende hulp van de Belastingdienst heeft gehad bij het invullen van de aangifte, neemt niet weg dat belanghebbende zelf verantwoordelijk blijft voor de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens. De rechtbank acht aannemelijk dat pas in bezwaarfase voor de inspecteur aan het licht is gekomen dat de aanslag IB/PVV 2021 te hoog is vastgesteld. In zo’n geval kan niet worden gezegd dat het aan de inspecteur is te wijten dat de aanslag IB/PVV 2021 te hoog is vastgesteld6. Belanghebbende heeft daarom geen recht op een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2021, zoals deze luidt na uitspraak op bezwaar, in stand blijft. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het door hem betaalde griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten in de beroepsfase.”
Onder vermelding van de volgende voetnoten:
“2. Artikel 7:3, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Artikel 7:4 van Pro de Awb.
4. Artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met artikel 1, tweede lid, van de Invorderingswet 1990, artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, en bijlage 2 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak bij de Awb.
5. Vgl. Hoge Raad 16 september 2019, ECLI:NL:HR:2016:2078.
6. Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.”
4.2.
Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven. Aan de zin ‘
De omstandigheid dat belanghebbende hulp van de Belastingdienst heeft gehad bij het invullen van de aangifte, neemt niet weg dat belanghebbende zelf verantwoordelijk blijft voor de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens.’ zoals opgenomen in rechtsoverweging 10.1 voegt het hof toe dat dit belanghebbende ook kenbaar moet zijn geweest gelet op inhoud van de zogenoemde meegeefbrief (zie 2.2). Belanghebbende heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd die leiden tot een ander oordeel.
Tussenconclusie
4.3.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.4.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.5.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.J. van den Broek, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.De sociale diensten van de gemeenten [gemeenten] , van het leerwerkbedrijf [B.V.] , het Participatiehuis en van het Werkgeversservicepunt Westelijke Mijnstreek.