De inspecteur legde in het kader van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2015 een informatiebeschikking op aan belanghebbende met betrekking tot RUS/RUT-overeenkomsten. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de informatiebeschikking. Hiertegen stelde de inspecteur hoger beroep in, terwijl belanghebbende ook hoger beroep instelde tegen de aanslag en de immateriële schadevergoeding.
Het hof oordeelde dat de eerste informatiebeschikking verviel door het opleggen van de aanslag en dat de inspecteur daarom geen tweede informatiebeschikking mocht nemen over dezelfde tekortkoming. Dit volgt uit artikel 52a lid 3 AWR en de jurisprudentie van de Hoge Raad. Het hof verwierp het verweer van de inspecteur dat de tweede informatiebeschikking toch was toegestaan omdat de eerste informatiebeschikking niet bewust was vernietigd.
Verder werd geoordeeld dat de rechtbank terecht een immateriële schadevergoeding van € 500 toekende wegens overschrijding van de redelijke termijn en dat de klacht over de hoogte van deze vergoeding niet slaagt. Ook de klacht over de gelijktijdige behandeling van zaken faalde. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde beide hoger beroepen ongegrond en legde een griffierecht van € 548 op aan de inspecteur.