ECLI:NL:GHSHE:2025:3034

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
23/1171
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag omzetbelasting en boetebeschikking

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in hoger beroep over een naheffingsaanslag omzetbelasting en een boetebeschikking. De belanghebbende, opgericht op 5 september 2016, heeft in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 aangiften omzetbelasting ingediend, maar geen omzet aangegeven. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd van € 2.277, alsmede belastingrente en een verzuimboete. De rechtbank heeft het beroep van de belanghebbende ongegrond verklaard, waarna de belanghebbende in hoger beroep ging.

Het hof heeft vastgesteld dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd, omdat de belanghebbende geen recht had op aftrek van voorbelasting. De belanghebbende stelde dat de inspecteur in strijd met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld, maar het hof oordeelde dat de inspecteur correct heeft gehandeld. De belanghebbende heeft niet kunnen aantonen dat er stukken ontbraken in het dossier en het hof verwierp haar stelling dat de inspecteur niet alle relevante stukken had overgelegd.

De boetebeschikking werd eveneens gehandhaafd, omdat de belanghebbende geen afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt kon aantonen. Het hof concludeerde dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht zijn opgelegd en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en er werd geen schadevergoeding toegekend, omdat de belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij schade had geleden door het handelen van de inspecteur.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1171
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 juli 2023, nummer BRE 22/3443, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en is bij beschikking een verzuimboete opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . De gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , heeft telefonisch deelgenomen aan de zitting.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is opgericht op 5 september 2016. Bij de inschrijving in de Kamer van Koophandel is vermeld dat haar doelstelling is het beheren van vermogensbestanddelen op haar naam maar voor rekening en risico van derden. Haar enige activiteit in de jaren 2017 tot en met 2019 is het verstrekken van een rentedragende hypothecaire lening aan een derde.
2.2.
Naar aanleiding van een namens de inspecteur ten aanzien van belanghebbende in 2017 uitgevoerd derdenonderzoek, is belanghebbende opgevoerd als aangifteplichtige ondernemer voor de omzetbelasting (hierna: OB) per 5 september 2016.
2.3.
In een interne notitie van de Belastingdienst d.d. 19 oktober 2017, dat is opgesteld naar aanleiding van het onder 2.2 vermelde derdenonderzoek, is het volgende vermeld:

Belastingplicht VPB en OB:
De stichting is door de Belastingdienst aangemerkt als niet-belastingplichtig voor de Vpb en OB en als zodanig opgenomen, terwijl deze volgens mij wel degelijk belastingplichtig is. Ik heb de stichting daarom met ingang van de oprichtingsdatum (5 september 2016) voor beide middelen als belastingplichtig op laten nemen.”
Deze interne notitie is destijds niet met belanghebbende gedeeld.
2.4.
Met dagtekening 19 oktober 2017 is door de inspecteur een brief ‘Vaststelling belastingplicht’ naar belanghebbende gestuurd. In de brief is vermeld dat de inspecteur heeft beoordeeld dat belanghebbende belastingplichtig is voor de OB en dat (kwartaal)aangiften OB moeten worden gedaan.
2.5.
Belanghebbende is vanaf 1 januari 2017 tot 30 juni 2021 uitgenodigd tot het doen van aangiften voor de omzetbelasting. Belanghebbende heeft aangiften omzetbelasting ingediend over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019. Belanghebbende heeft in deze aangiften in totaal € 2.277 aan voorbelasting teruggevraagd. In geen van de aangiften is omzet aangegeven.
2.6.
Op 4 mei 2021 heeft de inspecteur schriftelijk medegedeeld voornemens te zijn over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag met verzuimboete op te leggen.
2.7.
De naheffingsaanslag is opgelegd op 27 mei 2021 naar een bedrag van € 2.277, zijnde het bedrag van de teruggevraagde (en terugbetaalde) voorbelasting. Tevens is bij beschikking € 187 belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een betaalverzuimboete van € 227 opgelegd. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag, de rentebeschikking en de boetebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.8.
Per 30 juni 2021 – naar aanleiding van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag – is belanghebbende aangemerkt als ondernemer voor de OB met enkel vrijgestelde prestaties. Vanaf het derde kwartaal van 2021 zijn geen aangiften omzetbelasting meer klaargezet.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? Meer specifiek is daarbij in geschil of de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Is de belastingrentebeschikking terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
Is de boetebeschikking terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding?
De (hoogte van de) naheffingsaanslag als zodanig is niet in geschil.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag, de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking en toekenning van een schadevergoeding.
3.3.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
(1) Op de zaak betrekking hebbende stukken
4.1.
Belanghebbende stelt dat zij haar bezwaar, beroep en hoger beroep niet volledig heeft kunnen onderbouwen, omdat de inspecteur weigert inzage te geven in het gehele dossier alsmede weigert een afschrift te geven van het gehele dossier. Het hof begrijpt dat belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft overgelegd. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting van het hof verduidelijkt dat hij niet concreet kan aangeven welke op de zaak betrekking hebbende stukken ontbreken in het dossier, maar dat bij hem het vermoeden bestaat dat er stukken ontbreken.
4.2.
Het hof stelt voorop dat op grond van de artikelen 7:4, lid 2, en 8:42, lid 1, Awb de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan belanghebbende en aan de rechter dient over te leggen.
4.3.
Belanghebbende heeft niet concreet kunnen stellen welke (op de zaak betrekking hebbende) stukken volgens haar nog ontbreken. De enkele stelling dat belanghebbende betwijfelt of de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht kan niet aangemerkt worden als ‘voldoende gemotiveerd gesteld’ als hiervoor bedoeld. Dit betekent dat het betoog van belanghebbende dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, wordt verworpen.
(2) Naheffingsaanslag
4.4.
Belanghebbende heeft ter zitting van het hof desgevraagd verklaard dat niet wordt betwist dat de naheffingsaanslag gelet op de tekst van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) terecht is opgelegd. Nu dit standpunt naar het oordeel van het hof, gelet op de vaststaande feiten, niet op een juridisch onjuist uitgangspunt berust, volgt het hof belanghebbende hierin. Dit betekent dat tussen partijen niet langer in geschil is dat belanghebbende geen recht op aftrek van omzetbelasting had in de periode 2017 tot en met 2019 en dat de naheffingsaanslag in zoverre terecht is opgelegd. Belanghebbende is echter van mening dat de naheffingsaanslag alsnog vernietigd moet worden vanwege het (onrechtmatig) handelen van de inspecteur. Daartoe heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur na de oprichting van de stichting in eerste instantie heeft geoordeeld dat zij niet belastingplichtig voor de OB was. Op een zeker moment is het derdenonderzoek ingesteld (zie onder 2.2 en 2.3) en is belanghebbende als belastingplichtige voor de OB aangemerkt en zijn (kwartaal)aangiften OB uitgereikt (zie onder 2.4). De inspecteur was er volgens belanghebbende sinds het derdenonderzoek mee bekend dat uitsluitend vrijgestelde activiteiten werden verricht en heeft desondanks vastgesteld dat belanghebbende belastingplichtig was voor de OB en (kwartaal)aangiften OB moest doen. Het hof begrijpt dat belanghebbende dit handelen van de inspecteur in strijd acht met het vertrouwensbeginsel. Vervolgens heeft de inspecteur de belastingplicht voor de OB met terugwerkende kracht opgeheven en de in aftrek gebrachte voorbelasting teruggevorderd. Dat belanghebbende als belastingplichtige voor de OB is aangemerkt, heeft veel kosten met zich meegebracht, waaronder het inschakelen van derden. De in aftrek gebrachte voorbelasting op de ten aanzien van die derden gemaakte kosten wordt in de naheffingsaanslag teruggevorderd. Belanghebbende acht dit handelen van de inspecteur in strijd met wat van een betrouwbare overheid mag worden verwacht.
4.5.
Voor zover belanghebbende zich beroept op schending van het vertrouwensbeginsel, overweegt het hof als volgt. In essentie komt het neer op de vraag of belanghebbende uit het handelen van de inspecteur na het uitgevoerde derdenonderzoek – meer specifiek het vaststellen van de belastingplicht voor de OB en het uitreiken van (kwartaal)aangiften OB, zie onder 2.4 – het in rechte te honoreren vertrouwen heeft mogen ontlenen dat recht bestond op aftrek van voorbelasting ter zake van de door haar gemaakte kosten. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. In geen van de correspondentie van de inspecteur aan belanghebbende is vermeld dat belanghebbende belaste prestaties verrichtte op basis waarvan recht op aftrek van voorbelasting bestond. Wat wel is vermeld is dat belanghebbende belastingplichtig voor de OB is, hetgeen het hof juist acht. Echter, de enkele omstandigheid dat sprake is van belastingplicht leidt niet zonder meer tot de conclusie dat recht bestaat op aftrek van voorbelasting. Als uitgangspunt is aftrek slechts mogelijk bij het verrichten van belaste prestaties. Aan het enkele feit dat (kwartaal)aangiften OB zijn uitgereikt, heeft belanghebbende evenmin het in rechte te honoreren vertrouwen kunnen ontlenen dat recht bestond op aftrek van voorbelasting. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om, alvorens die (kwartaal)aangiften in te dienen, zich te verdiepen in de toepasselijke regelgeving en op basis daarvan vast te stellen of daadwerkelijk sprake was van recht op aftrek van voorbelasting. Aangezien voor belanghebbende duidelijk was dat zij ondernemer voor de OB was met uitsluitend vrijgestelde prestaties, had het redelijkerwijs kenbaar moeten zijn dat geen recht bestond op aftrek van voorbelasting. Dit klemt te meer nu de gemachtigde van belanghebbende, zijnde degene die namens belanghebbende verantwoordelijk was voor het indienen van de aangiften OB, een juridische achtergrond heeft en werkzaam is geweest als notaris. Dat in de interne notitie (zie onder 2.3) is opgenomen dat belanghebbende belastingplichtig is voor de OB maakt het voorgaande niet anders omdat deze constatering (zoals hiervoor overwogen) correct is en er geen uitspraak wordt gedaan over belaste prestaties en een daarmee samenhangend recht op aftrek – nog daargelaten dat die notitie ten tijde van het indienen van de aangiften niet bekend was bij belanghebbende en, reeds om die reden, belanghebbende daaraan dus niet het in rechte te honoreren vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij recht op aftrek van voorbelasting heeft. Het hof komt daarom tot de conclusie dat belanghebbende aan de wijze waarop het boekenonderzoek is afgehandeld, de daarna verstuurde brief ‘Vaststelling belastingplicht’ en het uitreiken van (kwartaal)aangiften OB op geen enkele wijze het in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat recht bestond op aftrek van voorbelasting op de door haar gemaakte kosten.
4.6.
Verder acht het hof het handelen van de inspecteur niet in strijd met wat van een betrouwbare overheid kan worden verwacht. Het hof vat deze stelling van belanghebbende op als een beroep op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het hof stelt voorop dat schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in beginsel niet zal leiden tot vernietiging van de bestreden aanslag. [1] De inspecteur is op grond van artikel 20, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bevoegd om een naheffingsaanslag op te leggen indien ten onrechte of tot een te hoog bedrag teruggaaf van belasting op aangifte is verleend. Gelet op hetgeen is hiervoor is overwogen is die naheffingsaanslag terecht opgelegd. Dat er mogelijk verwarring bestond aan de zijde van belanghebbende over de status van de belastingplicht voor de OB en/of haar recht op aftrek, komt voor haar eigen rekening en risico en leidt niet tot de conclusie dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden.
4.7.
Het hof komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
(3) Belastingrentebeschikking
4.8.
Tegen de belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Aangezien de naheffingsaanslag wordt gehandhaafd, zal de bij het opleggen daarvan gegeven belastingrentebeschikking eveneens worden gehandhaafd.
(4) Boetebeschikking
4.9.
In artikel 67c, lid 1, AWR is bepaald dat, indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete kan opleggen. In artikel 67c, lid 4, AWR is artikel 20, lid 1, tweede volzin, AWR van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit houdt in dat met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn onder meer wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag teruggaaf van belasting is verleend. Ingevolge paragraaf 24, lid 2, Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst kan de inspecteur een boete opleggen van 10% van de belasting die teveel is teruggegeven. Van deze mogelijkheid heeft de inspecteur gebruik gemaakt. De rechtbank heeft de boetebeschikking in stand gelaten. Wel heeft de rechtbank ambtshalve geconstateerd dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Omdat de boete minder beloopt dan € 1.000 heeft de rechtbank volstaan met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM, waarmee de verdragsschending als voldoende gecompenseerd is beschouwd.
4.10.
Het hof stelt voorop dat de inspecteur de juistheid van de boete overtuigend moet aantonen. [2] Vaststaat dat ten onrechte teruggaaf van belasting is verleend. Het beboetbare feit is daarmee overtuigend aangetoond. Voor vermindering van die boete is alleen aanleiding indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) of een pleitbaar standpunt; de bewijslast daarvoor rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van avas of een pleitbaar standpunt.
4.11.
Het hof ziet overigens geen reden voor matiging van de boetebeschikking. Belanghebbende heeft zich niet beroepen op strafverminderende omstandigheden. De inspecteur heeft de boete vastgesteld op 10% van de verschuldigde omzetbelasting. Dit is in overeenstemming met paragraaf 24, lid 2, Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Het hof acht een dergelijke boete passend en geboden.
4.12.
Het hof constateert ambtshalve dat de redelijke termijn voor berechting van de onderhavige zaak in hoger beroep is overschreden met (afgerond) drie maanden. Omdat de boete minder beloopt dan € 1.000 volstaat het hof met het oordeel dat de verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, EVRM. [3]
(5) Schadevergoeding
4.13.
Tot slot overweegt het hof dat belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur een tegemoetkoming dient te verstrekken voor de door belanghebbende gemaakte kosten in verband met het – volgens belanghebbende ten onrechte – aanwijzen van belanghebbende als belastingplichtige voor de OB (en de vennootschapsbelasting). Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting opgemerkt dat zij zich, indien de inspecteur niet ingaat op het voorstel de onderhavige zaak met gesloten beurzen te eindigen, zal wenden tot de civiele rechter. Aangezien de inspecteur ter zitting heeft aangegeven daartoe niet bereid te zijn, zal het hof hetgeen hierover is opgemerkt onbesproken laten. Het hof overweegt ten overvloede dat geen reden bestaat voor een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb, omdat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door het handelen van de inspecteur schade heeft geleden of zal lijden.
Tussenconclusie
4.14.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.15.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.16.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, A.M. van Amsterdam en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
De griffier, De voorzitter,
A.S. van Middelkoop J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 28 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5146, BNB 1993/36 en Hoge Raad 15 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5458, BNB 1993/316.
2.Hoge Raad 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526.
3.Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.3.