In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in hoger beroep over een naheffingsaanslag omzetbelasting en een boetebeschikking. De belanghebbende, opgericht op 5 september 2016, heeft in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 aangiften omzetbelasting ingediend, maar geen omzet aangegeven. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag opgelegd van € 2.277, alsmede belastingrente en een verzuimboete. De rechtbank heeft het beroep van de belanghebbende ongegrond verklaard, waarna de belanghebbende in hoger beroep ging.
Het hof heeft vastgesteld dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd, omdat de belanghebbende geen recht had op aftrek van voorbelasting. De belanghebbende stelde dat de inspecteur in strijd met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld, maar het hof oordeelde dat de inspecteur correct heeft gehandeld. De belanghebbende heeft niet kunnen aantonen dat er stukken ontbraken in het dossier en het hof verwierp haar stelling dat de inspecteur niet alle relevante stukken had overgelegd.
De boetebeschikking werd eveneens gehandhaafd, omdat de belanghebbende geen afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt kon aantonen. Het hof concludeerde dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht zijn opgelegd en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en er werd geen schadevergoeding toegekend, omdat de belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij schade had geleden door het handelen van de inspecteur.