In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van belanghebbende B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 maart 2024. De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, nadat de inspecteur van de Belastingdienst een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorijwielen (bpm) had opgelegd. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur voldoende rekening had gehouden met de schade aan de auto, maar belanghebbende was het hier niet mee eens en stelde hoger beroep in.
Tijdens de zitting op 8 oktober 2025 heeft belanghebbende haar standpunt ingetrokken met betrekking tot bepaalde bijstellingen in de koerslijst. Het hof heeft de feiten en de taxatierapporten van beide partijen bestudeerd. Belanghebbende stelde dat de inspecteur onvoldoende rekening had gehouden met de waardevermindering door schade, terwijl de inspecteur betwistte dat er sprake was van meer dan normale gebruiksschade. Het hof concludeerde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van meer dan normale gebruiksschade, en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, en het hof oordeelde dat er geen aanleiding was om het griffierecht te vergoeden of om de proceskosten te vergoeden.