ECLI:NL:GHSHE:2025:3005

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
24/479
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorijwielen

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van belanghebbende B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 maart 2024. De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, nadat de inspecteur van de Belastingdienst een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorijwielen (bpm) had opgelegd. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur voldoende rekening had gehouden met de schade aan de auto, maar belanghebbende was het hier niet mee eens en stelde hoger beroep in.

Tijdens de zitting op 8 oktober 2025 heeft belanghebbende haar standpunt ingetrokken met betrekking tot bepaalde bijstellingen in de koerslijst. Het hof heeft de feiten en de taxatierapporten van beide partijen bestudeerd. Belanghebbende stelde dat de inspecteur onvoldoende rekening had gehouden met de waardevermindering door schade, terwijl de inspecteur betwistte dat er sprake was van meer dan normale gebruiksschade. Het hof concludeerde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van meer dan normale gebruiksschade, en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, en het hof oordeelde dat er geen aanleiding was om het griffierecht te vergoeden of om de proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/479
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 maart 2024, nummer BRE 22/3406, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorijwielen (hierna: bpm) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 14 juli 2020 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Renault Alaskan 2.3 dCi Double Cab Snoeks met VIN-nummer [VIN-nummer] (hierna: de auto) naar een te betalen bedrag aan bpm van € 2.353. De auto is op 25 juni 2020 van een Duitse verkoper gekocht voor € 25.000.
2.2.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [B.V.] van 13 juli 2020. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 13.564. De taxateur heeft een bedrag van € 8.814 wegens schade op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 4.750.
2.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 22 juli 2020. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld aan de hand van een koerslijst van AutotelexPro op € 21.978. De hertaxateur heeft een bedrag aan schade geconstateerd van € 1.721 en daarvan 72%, te weten € 1.239 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Hij heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 20.739.
2.4.
De auto komt niet op enige koerslijst voor. De taxateur van belanghebbende en die van DRZ gebruiken koerslijsten van een Nissan Navara.
2.5.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde bpm moet worden vastgesteld op € 10.173, te verminderen met een extra leeftijdskorting van € 187. Met dagtekening 11 februari 2022 is aan belanghebbende voor de auto een naheffingsaanslag opgelegd van € 7.633.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) (hierna: de minister) veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500, de minister veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in beroep van € 218,75 en bepaald dat de minister het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek ziet het geschil op de vraag of de inspecteur voldoende schade in aanmerking heeft genomen.
3.2.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting van het hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig haar standpunt ingetrokken met betrekking tot de bijstellingen markt- en dealersituatie in de koerslijst Eurotaxglass’s.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.614. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Schade
4.1.
Het hof stelt voorop dat de verschuldigde bpm met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. [1] Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de bpm op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. [2] De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. [3] De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van bpm ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig. [4]
4.2.
De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling BPM voorziene afschrijvingstabel. Hetgeen hiervoor onder 4.1. is overwogen brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor één van die methodes, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling. [5]
4.3.
Normale gebruiksschade kan niet in mindering gebracht worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Op grond van artikel 2, aanhef en letter c, Wet BPM dient onder normale gebruiksschade te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.4.
Volgens belanghebbende heeft de inspecteur onvoldoende rekening gehouden met de waardevermindering wegens schade. Belanghebbende wijst met name op de steenslag op de voorruit en beschadigingen op het linker voorportier, het rechter achterscherm, de linker achtervelg en de voorbumper.
4.5.
Volgens de inspecteur kan het taxatierapport van belanghebbende niet dienen ter onderbouwing van de door belanghebbende gestelde schade, omdat er gebreken kleven aan het rapport van belanghebbende. Verder bestrijdt de inspecteur dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
4.6.
Voordat het hof toekomt aan een beoordeling van de gestelde waardedaling als gevolg van schade aan de auto, overweegt het hof het volgende. De inspecteur heeft zich beklaagd over diverse formele en/of materiële gebreken aan het taxatierapport van belanghebbende. Het standpunt van de inspecteur dat, zoals de inspecteur heeft gesteld, de taxateur van belanghebbende de fysieke opname in slechts 15 minuten heeft gedaan en geen onderzoek is ingesteld naar de oorzaak van de schade, heeft naar het oordeel van het hof, niet tot gevolg dat aan dat rapport geen waarde kan worden gehecht. Het hof verwerpt daarom de stellingen van de inspecteur over de formele en/of materiële gebreken aan het taxatierapport.
4.7.
Ten aanzien van de gestelde schade heeft het hof de in beide taxatierapporten opgenomen foto’s en schadecalculaties uitgebreid bestudeerd. Het hof is van oordeel dat de door belanghebbende gepresenteerde schade is aan te merken als normale gebruikssporen. Belanghebbende heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, buiten de schade die de inspecteur al in aanmerking heeft genomen. Het hof heeft bij dat oordeel mede de leeftijd van de auto (bijna drie jaar) en het aantal gereden kilometers (36.003) in acht genomen. Het hof heeft in dat kader ook belang gehecht aan de omstandigheid dat de auto op 25 juli 2020 voor € 25.000 is aangekocht.
Tussenconclusie
4.8.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.9.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J.C.E. Ackermans-Wijn, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A.S. van Middelkoop J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 1, Wet BPM.
2.Artikel 10, lid 2, Wet BPM.
3.Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
4.Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.2.
5.Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.