Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 31 oktober 2023 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling na aanbrengen van 17 januari 2024;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord, tevens houdende eisvermindering, tevens houdende grieven in incidenteel hoger beroep, met producties 44 tot en met 52;
- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep, tevens aanvulling van eis in hoger beroep na herstelvonnis,
- de antwoordakte van [geïntimeerde] .
6.De beoordeling
buitengerechtelijke vernietigingis een gerichte eenzijdige rechtshandeling. Als zij wordt uitgesproken door een derde, dan moet zij tot alle partijen zijn gericht (artikel 3:50 lid 1 BW Pro). Artikel 3:51 lid 2 BW Pro bepaalt dat een
rechtsvordering tot vernietigingvan een rechtshandeling wordt ingesteld tegen hen die partij bij de rechtshandeling zijn. De rechter die - naar aanleiding van een daarop gericht verweer dan wel ambtshalve - vaststelt dat niet alle partijen bij de te vernietigen rechtshandeling in het geding zijn betrokken, dient gelegenheid te geven om de niet opgeroepen partij alsnog in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv Pro binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn. Dit geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel (vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, en HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:177). Artikel 3:51 lid 2 BW Pro geeft niet aan of deze regel ook geldt voor een vordering strekkende tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat een rechtshandeling vernietigd is. Uit voornoemde rechtspraak leidt het hof echter af dat ook dan alle partijen in rechte moeten worden betrokken, omdat een rechterlijke beslissing over een processueel ondeelbare rechtsverhouding - waar hier sprake van is - steeds jegens alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen gezag van gewijsde heeft, ongeacht door wie en tegen wie de vordering is ingesteld en ongeacht wie tegen de vordering verweer heeft gevoerd. Het is rechtens noodzakelijk dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen.
7.De uitspraak
29 juli 2025voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] met het hiervoor in rov. 6.7.2 vermelde doel;
tegen die roldatum (29 juli 2025)in het hoger beroep te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv Pro, en verwijst de zaak naar die roldatum voor akte aan de zijde van [appellant] voor overlegging van documenten waaruit die oproeping blijkt, dan wel mede te delen dat hij dit heeft nagelaten;
7 oktober 2025voor het nemen van een memorie waarin de vereffenaar zijn standpunt kenbaar kan maken;