Deze civiele zaak betreft de effectenleaseovereenkomsten die tot stand kwamen tussen Dexia en de zoon van de geïntimeerde via een tussenpersoon zonder vereiste vergunning. De zoon van de geïntimeerde sloot de overeenkomsten, die later door de geïntimeerde zijn overgenomen. Het geschil draait om de vraag of Dexia wist of behoorde te weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies gaf en of Dexia daardoor onrechtmatig heeft gehandeld.
Het hof stelt vast dat de effectenleaseovereenkomsten zijn gesloten op 9 oktober 2000 en dat de geïntimeerde de rechten van zijn zoon heeft overgenomen door cessie. Dexia heeft onvoldoende betwist dat de tussenpersoon als cliëntenremisier optrad en vergunningplichtig advies heeft gegeven. De stellingen van de geïntimeerde over de advisering zijn concreet en onderbouwd. Dexia heeft nagelaten te controleren of de tussenpersoon vergunningplichtig advies gaf, waardoor de gevolgen van dit nalaten voor haar risico komen.
De verjaring van de vordering is door de geïntimeerde tijdig gestuit met sommatie- en stuitingsbrieven. Het hof verwijst naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad over vergunningplichtige advisering en de billijkheidscorrectie die leidt tot volledige vergoedingsplicht van Dexia. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt Dexia in de proceskosten en wettelijke rente.