Belanghebbende, woonachtig in Zwitserland, maakte bezwaar tegen de inhouding van loonheffingen over pensioenuitkeringen in 2021, na wijziging van het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland per 1 januari 2021.
De rechtbank oordeelde deels in het voordeel van belanghebbende, maar het hof bevestigt dat de inspecteur terecht belasting heeft geheven. De diensttijdevenredige methode, waarbij het deel van het pensioen dat is opgebouwd tijdens de in Nederland gewerkte periode wordt belast, is juist toegepast.
Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel schond door hem niet tijdig te informeren over de verdragswijziging en dat niet het volledige pensioen in Nederland fiscaal gefacilieerd zou zijn opgebouwd. Het hof verwierp deze bezwaren, onder meer omdat de vrijstellingsverklaring een duidelijke disclaimer bevatte en belanghebbende onvoldoende aannemelijk maakte dat delen van het pensioen niet in Nederland fiscaal gefacilieerd zijn opgebouwd.
Het hof concludeert dat 315 van de 434 maanden pensioenopbouw in Nederland hebben plaatsgevonden en dat dit deel volledig voor fiscale tegemoetkoming in aanmerking komt. De inspecteur heeft daarom het juiste deel van de pensioenuitkeringen belast met maximaal 15% volgens het gewijzigde verdrag.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.