Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
- een akte van [appellant] met de producties 27 tot en met 36 (op een eerder tijdstip waren al de producties 37 tot en met 41 in het geding gebracht, zoals blijkt uit het tussenarrest);
- een antwoordakte van [geïntimeerde] met betrekking tot de producties 27 tot en met 41.
2.De beoordeling
“De kantonrechter stelt vast dat hetgeen te zien is op de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte beelden van de observatie niet strookt met de hiervoor weergegeven stellingen van [appellant] omtrent zijn klachten en beperkingen en in het verlengde daarvan de gestelde schade. Op geen van de beelden die waarnemingen op verschillende dagen betreffen is immers te zien dat [appellant] in een rolstoel zit. Anders dan [appellant] in deze procedure heeft gesteld is wel degelijk sprake van een loopfunctie en van functionaliteit van zijn rechterarm. Op de beelden is onder meer waar te nemen dat [appellant] met zijn echtgenote boodschappen doet en de kinderen ophaalt, verrichtingen waarvoor hij in de onderhavige procedure nu juist heeft gesteld op hulp van derden aangewezen te zijn en op de kosten waarvan zijn schadevordering voor een groot deel betrekking heeft. Anders dan [appellant] in zijn laatste akte heeft aangevoerd, heeft hij voorafgaand aan de observatie geen melding gemaakt van het kunnen lopen en/of de mogelijkheid tot het verrichten van de op de beelden getoonde activiteiten. Evenmin heeft [appellant] voorafgaand aan de observatie eventuele wijzigingen in zijn medische situatie gemeld of zijn vorderingen en/of stellingen in de onderhavige procedure gewijzigd”.Dit verder niet wezenlijk bestreden oordeel over de aard van de beelden en de proceshouding van [appellant] tot dan toe brengt het hof tot de volgende overweging.
NJ2004/74; HR 19 oktober 2007, LJN BB5172 en HR 8 juli 2011, LJN BQ3519). Dit alles ontleend aan :ECLI:NL:HR:2011:BT2921.