Belanghebbende verkreeg in 2019 een onroerende zaak die oorspronkelijk als woning was gebouwd, maar sinds 1930 niet meer als zodanig werd gebruikt. De onroerende zaak is sindsdien ingrijpend verbouwd en gebruikt als kantoor, met meerdere renovaties en aanpassingen, waaronder bankkluizen en kantoorvoorzieningen.
Belanghebbende stelde dat de onroerende zaak belast moest worden tegen het lagere tarief van 2% voor woningen, omdat slechts beperkte aanpassingen nodig zouden zijn om het pand weer geschikt te maken voor bewoning. De inspecteur en rechtbank oordeelden echter dat de aard van woning verloren was gegaan en dat meer dan beperkte aanpassingen vereist zijn.
Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat de vele verbouwingen sinds 1930 de woningfunctie hebben doen vervallen. De voorzieningen en indeling zijn aangepast aan kantoorgebruik en de noodzakelijke aanpassingen voor bewoning zijn ingrijpend, zoals het aanpassen van sanitaire voorzieningen en keukens op meerdere verdiepingen. De offerte voor een enkele badkamer is ontoereikend voor een woning passend bij het pand.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens wordt het griffierecht niet vergoed en worden geen proceskosten toegewezen.