Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding tot aan de verwijzing door de Hoge Raad
2.Het geding in hoger beroep na verwijzing
- het exploot van oproeping van 15 november 2022;
- de memorie na verwijzing van het Pensioenfonds;
- de antwoordmemorie na verwijzing van [appellante] ;
- de mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
3.De beoordeling
Kamerstukken II16631, 6, p. 3). Hierbij is het niet de bedoeling bestuurders te straffen voor onopzettelijke domheden en beleidsfouten. Door het woord ‘kennelijk’ wordt uitgedrukt dat slechts een in het oog springende, bij wijze van spreken elke twijfel uitsluitende onbehoorlijkheid van de taakvervulling in aanmerking moet worden genomen (MvA,
Kamerstukken II16631, 6, p. 21) De bestuurders moeten hebben gehandeld met de (objectieve) wetenschap dat de schuldeisers zullen worden benadeeld (
Handelingen II1984/85, 16631, p. 6337).
dezeprocedure onvoldoende heeft onderbouwd. Hierbij komt dat kennelijk onbehoorlijk bestuur alleen niet voldoende is om aansprakelijkheid op grond van artikel 23 lid 3 Wet Pro Bpf 2000 aan te nemen. Ook is vereist dat aannemelijk is dat het niet betalen van de pensioenpremies het gevolg is van het kennelijk onbehoorlijk bestuur. Over dit laatste heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet geoordeeld, terwijl het hof hiervoor reeds heeft overwogen dat het Pensioenfonds daarover in deze procedure onvoldoende heeft gesteld.