Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
6.De verdere beoordeling
shared single-site”overeenkomst. Daarna werd op 7 mei 2014 [het tussenarrest vermeldt abusievelijk enkele malen als datum 17 mei 2014, maar bij de weergave van de feiten is de juiste datum opgenomen, toevoeging hof] een “
shared multi-site”overeenkomst gesloten. Naar het oordeel van het hof was hier sprake van een vervangende overeenkomst die de inhoud van de dienstverlening en de voorwaarden waaronder die per 1 juli 2014 zou plaatsvinden, weergeeft (rechtsoverweging. 3.7.1.).
dedicated multi-site”. Dat formulier is het document waarmee [X B.V.] doorgaans een aanvraag van extra werkgeheugen bij Interconnect moest doen. Met de ondertekening van dat formulier is geen nieuwe vervangende overeenkomst gesloten, maar was sprake van een aanvulling op de bestaande overeenkomst van 7 mei 2014. Daarbij bleef de overeenkomst tussen partijen zien op
multi-site(rechtsoverweging. 3.7.2.).
dedicated”. Daarover heeft [X B.V.] gesteld dat een vaste prijs was overeengekomen voor het door haar te gebruiken werkgeheugen, en die vaste prijs gold voor de door [X B.V.] uiteindelijk ter beschikking staande 7.446 GB RAM. Daarom mocht Interconnect geen meerprijs in rekening brengen (hoefde [X B.V.] geen meerprijs te betalen en heeft Interconnect ten onrechte haar dienstverlening aan [X B.V.] opgeschort). Daartegenover stelt Interconnect dat de prijs die was overeengekomen gold voor 2.229 GB RAM direct te gebruiken en 1.494 GB RAM als opvraagbaar reserve werkgeheugen in het ene datacenter, met 3.723 GB RAM uitwijkcapaciteit in het andere datacenter voor als zich in het ene datacenter calamiteiten zouden voordoen (rechtsoverweging. 3.7.3./3.7.4.).
dedicated” in de op 18 mei 2016 gesloten aanvulling van de overeenkomst dient te worden verstaan dat in één van de twee datacenters van Interconnect in totaal 3.723 GB RAM aan alleen [X B.V.] ter beschikking zou staan voor direct gebruik, waarvan 2.229 GB RAM werkgeheugen door [X B.V.] al werd gebruikt en 1.494 GB RAM werkgeheugen in reserve werd gehouden (waarop zij via de gebruikelijke weg van het optieformulier aanspraak kon maken) als ook dat er daarnaast 3.723 GB RAM louter als uitwijkcapaciteit beschikbaar was in het andere datacenter voor het geval zich met betrekking tot de voor [X B.V.] beschikbare capaciteit in het eerste datacenter een calamiteit zou voordoen.
feitelijke situatieschets’. Ook daarvan laat [X B.V.] na concreet toe te lichten wat de herkomst ervan is en waarom zij in deze zaak gehanteerd zouden moeten worden.
Shared VPC Interconnect 5.1.2.”(zie rechtsoverweging 3.1.6.) niet meer van toepassing was, zodat alles wat in die toelichting staat over “
fail over” (het ene datacenter bevat uitwijkcapaciteit voor het andere) niet meer relevant is. De overeenkomst van 7 mei 2014, zoals aangevuld per 18 mei 2016, leidde er zodoende volgens [X B.V.] toe dat het werkgeheugen van 2.229 GB RAM in het ene datacenter werd uitgebreid met 1.494 GB RAM reserve, zodat daar 3.723 GB RAM ter beschikking werd gesteld, en voor beide servers in totaal 7.446 GB RAM. Verder leidde een en ander ertoe dat de shared omgeving (gedeeltelijk) werd gewijzigd naar een dedicated omgeving, specifiek voor [X B.V.] , als ook dat aan [X B.V.] zogeheten “
affinity rules”werden toegekend op basis waarvan onder meer actief op beide datacenters ( [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] ) kon worden “gedraaid”, dus in totaal voor 7.446 GB RAM, aldus nog steeds Acknowlegde.
“Opties”staat:
“Aanvullende opmerkingen en/of actiecodes”staat:
van [X B.V.] wordt gemigreerd van Multi-Site cluster 1 naar Multi-Site cluster 2. Cluster 2 wordt Dedicated gemaakt zodat [X B.V.] de beschikking heeft over meer rechten waaronder het toepassen van Affinity rules.
Powered-Off’ diende af te nemen;
Powered-On” geheugen met het aangevraagde en beschikbaar gestelde extra geheugen zal stijgen en het Powered-Off geheugen daarmee zal dalen.
2.229GB RAM als tot dan door [X B.V.] ‘Powered-On’ (daadwerkelijk) ‘afgenomen’ (gebruikt) werkgeheugen,
1.494GB RAM ‘Powered-Off’ (beschikbaar, maar nog niet gebruikt) werkgeheugen, en
3.723GB RAM als het totale werkgeheugen waarover multi-site cluster 2 beschikt. Over een totaal aan voor [X B.V.] bestemd werkgeheugen van
7.446GB RAM wordt in dit op 18 mei 2016 ondertekende formulier niet gesproken, zodat niet valt in te zien hoe [X B.V.] hierop meent te kunnen baseren dat zij met het formulier van 18 mei 2016 voor in totaal 7.446 GB RAM aan werkgeheugen heeft gecontracteerd.
blijkbaar mogelijk is meer resources te gebruiken” dan door Interconnect beschikbaar zijn gesteld. Daarbij wordt onder andere ook opgemerkt dat het meer-gebruik [X B.V.] niet verbaast, omdat het aanmaken en uitbreiden (van het werkgeheugen, zo verstaat het hof) door een afdeling van [X B.V.] wordt gedaan. Hierbij is [X B.V.] ervan uitgegaan dat het maximale door [X B.V.] te gebruiken werkgeheugen door Interconnect is gelimiteerd, zodat er nooit een controle op het daadwerkelijke gebruik heeft plaatsgevonden en er op die manier kennelijk wildgroei is ontstaan.
[getuige 1]. [getuige 1] is directeur/eigenaar van [X B.V.] .
[getuige 2], manager project management bij [X B.V.] , verklaarde als tweede getuige dat zijn manager [getuige 3] de contractonderhandelingen met Interconnect in 2014 had gevoerd, maar dat hij [getuige 3] had voorzien van inhoudelijke context over die overeenkomst. Bij de aanvulling op de overeenkomst in mei 2016 was [getuige 2] niet betrokken, maar daarna heeft hij er zich wel in verdiept. Vervolgens verklaarde de getuige dat de aanvulling uit 2016 zijns inziens zo moest worden begrepen dat [X B.V.] met de overeengekomen affinity rules het recht en de vrijheid had gekregen om te bepalen waar - als in: op welke locatie - zij actief was. Daarmee had [X B.V.] de vrije beschikking over resources van in totaal ruim 7.400 GB in [vestigingsplaats] én in [vestigingsplaats] , zo volgt uit zijn verklaring (proces-verbaal van enquête aan de zijde van geïntimeerde van 14 september 2022, p. 13). In dit verband verklaarde getuige [getuige 2] (p. 10/11):
aanstond. Die vraag hebben wij gesteld vanuit de wens om invloed te hebben op de beschikbaarheid van[zo’n, toevoeging hof]
VM. Een virtuele machine draait op een fysieke server. Daarom bestaat er iets als affinity rules, daarmee kan je aangeven of een VM juist wel of niet op een bepaalde fysieke server aan moet staan. Dat is de vraag die wij gesteld hebben daar geeft Interconnect wij willen meegaan maar dat betekent dat jullie een dedicated omgeving moeten nemen. (…). [getuige 7] heeft dat aan [getuige 4] gemaild.
Als Interconnect de intentie had gehad dat maar een deel van deze dedicated omgeving door ons wordt afgenomen, dan hadden zij een resource pool aan kunnen maken en hadden wij nooit meer capaciteit kunnen gebruiken dan dat. De uiteindelijke beslissing lag bij Interconnect. (..) het[is]
technisch mogelijk het te regelen dat nooit meer wordt afgenomen dan beschikbaar wordt gesteld. (.)[7400 GB was]
beschikbaar voor ons om te gebruiken”.
”technische inrichting”. In dit verband acht het hof echter ook van belang wat [getuige 2] verklaart over software van VM-ware. Daaruit leidt het hof af dat volgens [getuige 2] kan worden ingesteld dat een bepaalde fail over
-capaciteit beschikbaar wordt, in de zin dat 50% uitsluitend beschikbaar is als uitwijkcapaciteit bij calamiteiten, en dat dit dan capaciteit is die men niet dagelijks kan gebruiken, maar alleen als zich een probleem voordoet. Uit wat [getuige 2] hierover verder verklaart, valt af te leiden dat zijns inziens Interconnect in het geval van [X B.V.] heeft nagelaten om een dergelijke begrenzing in te stellen, en dat dit de reden was dat [X B.V.] de capaciteit van 7.446 GB RAM volledig kon gebruiken. Dat laatste stemt overeen met wat volgt uit de hiervoor besproken e-mailcorrespondentie tussen partijen uit februari/maart 2018. Dit ondersteunt dat Interconnect weliswaar nalatig is geweest in het aanbrengen van een begrenzing – althans van dat wat technisch nodig was om ervoor te zorgen dat [X B.V.] op dagelijkse basis uiteindelijk niet meer dan maximaal 3.723 GB RAM aan resources zou gebruiken (wat ook volgt uit de zojuist genoemde e-mailcorrespondentie uit februari/maart 2016) -, maar dat contractueel de bedoeling wel degelijk was dat dit dagelijkse gebruik van [X B.V.] beperkt zou blijven tot maximaal die 3.723 GB RAM, en dat de andere 3.723 GB RAM slechts bedoeld was als uitwijkcapaciteit bij calamiteiten.
[getuige 3], business line manager bij [X B.V.] , heeft verklaard dat hij betrokken was bij de contractsonderhandelingen met Interconnect in 2013, 2014 en 2016. Over het formulier uit mei 2016 waarmee de eerdere overeenkomst uit mei 2014 is aangevuld, verklaart hij (proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor op 8 februari 2023, p. 4):
te gebruiken en hadden we best veel problemen. Met snelheid en conflicten met andere gebruikers, waardoor onze klanten en wij veel storingen hadden.(…).
om die gevraagde wijzigingen en oplossingen door te voeren. Daarnaast vonden we de prijs 30% te hoog. Er waren dus drie belangrijke redenen om met IC het gesprek aan te gaan. (…). Waarbij IC zelf kwam met een oplossing. Zij zeiden: “Als jullie dit willen kan dit niet binnen de shared MS[= multi-site, toevoeging hof]
. Dat kan niet, want dan moeten jullie een dedicated omgeving afnemen. Dat betekent concreet dat IC uit die shared omgeving zeg maar 20 telefoons heeft getrokken (de fysieke servers dus) en die telefoons heeft IC ingericht en daar kregen wij het exclusieve gebruik van. Dat betekende dat wij 7,4 terabyte geheugen kregen toegewezen, dat wij konden bepalen of wij op deze telefoon een app zouden zetten.. Wij konden kiezen of wij dat deden in [vestigingsplaats] of in [vestigingsplaats] . Dat had Interconnect zelf zo voor ons ingericht. En wij konden bepalen of we een server en een app zowel in [vestigingsplaats] als in [vestigingsplaats] zouden laten draaien. Dat noemen we active active. Dus hadden we zelf op basis van de inrichting door Interconnect een oplossing voor de[door [X B.V.] ondervonden, toevoeging hof ]
problemen. Interconnect kwam zelf met die oplossing en heeft die zelf ingericht voor ons”.
dusmocht. De getuigen hebben niet onderbouwd op welke gronden [X B.V.] uit de gesloten overeenkomst redelijkerwijs heeft kunnen en mogen begrijpen dat de met Interconnect gesloten aanvullende overeenkomst inhield dat de uitwijk-functie bij calamiteiten van het ene datacenter ten opzichte van het andere (zoals voortvloeit uit de multisite overeenkomst) met het dedicated maken van de omgeving was vervallen. Niet is gesteld dat partijen hierover gesproken hebben, noch waar dit in de overeenkomst te lezen valt (anders dan door het gebruik van het begrip affinity rules, waaruit het vervallen van die uitwijk-functie niet blijkt).
“affinity rules”,te meer nu in contra-enquête over de term affinity rules door [getuige 6] is verklaard dat hiermee (slechts) is bedoeld dat een omgeving zo kan worden ingesteld dat men er zeker van is dat bepaalde virtuele computers niet (anti-affinity) of juist wel (affinity) op dezelfde fysieke computer draaien. Die uitleg vloeit in essentie ook voort uit de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 3] . Dat [X B.V.] op grond van de per 18 mei 2016 verkregen affinity rules het recht had om actief op beide locaties ( [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] ) te ‘draaien’ - en daarmee de beschikking had over in totaal 7.446 GB RAM aan daadwerkelijk te gebruiken werkgeheugen - staat in het op 18 mei 2016 ondertekende formulier niet te lezen, en berust daarmee louter op een eigen interpretatie van [X B.V.] . Daarmee is echter nog niet gezegd dat [X B.V.] in redelijkheid mocht menen dat die eigen interpretatie tussen partijen de vigerende was. Daarvoor zijn in het licht van de toepasselijke Haviltex-maatstaf dan bijkomende omstandigheden nodig die in de richting van de door [X B.V.] voorgestane interpretatie wijzen en waaruit volgt dat ook Interconnect redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit de tussen partijen geldende uitleg zou zijn. Van zulke omstandigheden is in het kader van de tegenbewijslevering echter niet althans onvoldoende gebleken.
InterConnect heeft geconstateerd dat het private cluster door [X B.V.] aan beide kanten gebruikt wordt i.p.v. puur als multisite cluster”
alle resources” moest afnemen. Dat impliceerde dus 7.446 GB RAM die tegen een vast tarief moest (kon) worden afgenomen, aldus [X B.V.] . Het hof volgt [X B.V.] ook hierin niet. De redenen daarvoor zijn de volgende.
daarom” 1.494 GB RAM Powered-Off dient af te nemen (zie rechtsoverweging 3.1.8). Dat duidt er in redelijkheid op dat de in het formulier genoemde “
alle resources” beperkt waren tot die 1.494 GB RAM opgeteld bij de al daadwerkelijk gebruikte 2.229 GB RAM, dus tot 3.723 GB RAM. Dat uit deze zin in het contract kon worden afgeleid dat [X B.V.] voor de overeengekomen prijs 7.446 GB RAM mocht afnemen, blijkt daaruit niet, althans [X B.V.] kon dat daaruit redelijkerwijs niet afleiden. Het hof herhaalt dat nergens in het formulier van 18 mei 2016 over gebruik door van [X B.V.] van 7.446 GB RAM wordt gesproken. Naar het oordeel van het hof blijkt uit een en ander veeleer dat [X B.V.] met het aanvullende contract 1.494 GB dedicated reserve capaciteit kreeg en dat de reeds shared afgenomen 2.229 GB nu ook dedicated was als ook dat 3.723 GB RAM beschikbaar zou zijn voor daadwerkelijk (dagelijks) gebruik.
Powered-On” en “
Powered-Off” geen vakjargon zijn en dat zij, zo begrijpt het hof, daarom niet wist wat Interconnect daarmee bedoelde. [X B.V.] voegt daaraan toe dat [getuige 4] daarom navraag bij [X B.V.] heeft gedaan, waarop hij nooit reactie heeft gekregen. Ook hierin volgt het hof [X B.V.] niet. Het volgende is daarvoor redengevend.
reservering”. Vervolgens stond daar nog:
Als [X B.V.] extra geheugen nodig heeft kunnen wij dat aan de resource pool toevoegen. Dit dient via de standaard procedure aangevraagd te worden. In dat geval stijgt het Powered-On geheugen en daalt het Powered-Off geheugen in hoeveelheid.”
nietaan [X B.V.] toe te rekenen. Van belang is daarbij ook dat [X B.V.] als haar kernactiviteiten vermeldt onder meer de exploitatie van diensten op het gebied van informatietechnologie en het aanbieden van infrastructuur clouddiensten aan haar klanten (conclusie van antwoord p. 2 en 3). Als zodanig moet [X B.V.] hebben geweten of hebben kunnen weten hoeveel geheugencapaciteit zij daadwerkelijk van Interconnect afnam.
met het sluiten van de overeenkomst” en de daarin opgenomen affinity rules, rekenkundig ruim drie keer zoveel GB zou kunnen afnemen.
20 februari 2024worden verwezen voor akte aan de zijde van beide partijen teneinde zich uit te laten over de vraag of zij een nadere mondelinge behandeling wensen.
beidepartijen op die datum meedelen géén prijs te stellen op een mondelinge behandeling zal de zaak worden verwezen naar de rol van
19 maart 2024voor memorie na tussenarrest aan de zijde van Interconnect als in rechtsoverweging 6.15.1 weergegeven, waarna [X B.V.] bij antwoordmemorie hierop zal kunnen reageren.