Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarden van zijn woning voor de jaren 2020 en 2021, vastgesteld op respectievelijk €178.000 en €195.000. De heffingsambtenaar verwees ter onderbouwing naar taxatierapporten met vergelijkingspanden en waardematrices. Belanghebbende stelde lagere waarden voor op basis van eigen vergelijkingspanden en betoogde dat de KOUDV- en liggingsfactoren in de bezwaarfase verstrekt hadden moeten worden.
Het hof stelt vast dat de heffingsambtenaar deze gegevens voor 2020 inderdaad had moeten verstrekken op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ, maar belanghebbende heeft dit niet in de beroepsfase bij de rechtbank aangevoerd. Het hof beschouwt het pas in hoger beroep aanvoeren van deze klacht als strijdig met de goede procesorde, waardoor dit niet tot een gegrond hoger beroep leidt.
De gebruikte vergelijkingspanden door de heffingsambtenaar zijn volgens het hof beter vergelijkbaar dan die van belanghebbende, met name vanwege ligging en bouwjaar. De matrices van belanghebbende zijn opgesteld door een gemachtigde zonder taxateursexpertise en missen onderbouwing van correcties. Ook de staat van de woning is voldoende meegenomen in de waardebepaling. Klachten over willekeur en schending van het vertrouwensbeginsel worden verworpen.
Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.