Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 20 april 2023;
- een e-mail van mr. Van Kollenburg van 23 mei 2023 met de aantekeningen van de mondelinge behandeling in eerste aanleg;
- het verweerschrift tevens verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging tevens incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 25 mei 2023;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep tevens verweer in verzoek tot schorsing, ingekomen ter griffie op 5 juni 2023;
3.De beoordeling in het principaal en incidenteel hoger beroep
€ 5.353,73 per vier weken exclusief 8% vakantietoeslag en emolumenten vanaf 14 augustus 2022 tot 1 februari 2023, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 25% over het te laat betaalde salaris, tevens vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over het bedrag van het te laat betaalde salaris en de wettelijke verhoging, voor wat betreft het salaris te rekenen vanaf de datum dat het salaris normaal gesproken betaald zou zijn en voor wat betreft de wettelijke verhoging te rekenen vanaf 5 oktober 2022, steeds tot de dag van volledige betaling;
hof: overweging 3.1 onder x van deze beschikking). Uit het verzoekschrift blijkt dat ook [de werknemer] het meenemen van de Z-schijf heeft beschouwd als de reden voor het ontslag.”
hof: [de werknemer]) was dan ook in staat om de opgedragen taak uit te voeren. Dat er mogelijk andere taken zouden blijven liggen indien [de werknemer] voorrang zou geven aan het maken van de bonnen kan zo zijn, maar dat maakt niet dat [de werknemer] zelfstandig kon beslissen dat de andere taken voorrang moesten hebben op het maken van de bonnen. Dat heeft hij wel gedaan. [de werknemer] heeft zijn taken zelf geprioriteerd, terwijl [de werkgever] duidelijk en bij herhaling heeft aangegeven dat de taak van het maken van de bonnen voorrang boven alles diende te krijgen. [de werknemer] heeft de instructie onweersproken telkens ontvangen, ook aangegeven dat hij daar gehoor aan zou geven, maar het vervolgens niet of onvoldoende gedaan. Ook nadat [de werkgever] het loon van [de werknemer] had opgeschort totdat hij de achterstallige werkzaamheden had ingelopen, is niet gebleken dat [de werknemer] voorrang gaf aan het maken van de bonnen.”
alleopenstaande uren” zouden moeten zijn gefactureerd alvorens [de werkgever] haar loondoorbetalingsverplichting weer zou nakomen. Nog daargelaten de vraag of [de werkgever] als werkgeefster überhaupt wel het recht had om die loonbetaling integraal op te schorten. Bovendien is in de e-mail aangegeven dat niet alleen het gestelde gebrek aan administratie heeft geleid tot de beslissing om de arbeidsovereenkomst te beëindigen; de druppel was het feit dat [de werknemer] de integriteit van zijn vader in twijfel had getrokken door na te vragen wat hij met “die €7.000,=” had gedaan.
4.De beslissing
(voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen) voor het overige;