Uitspraak
hierna aan te duiden als PM en OJ en gezamenlijk als PM c.s.,
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis, met producties H72-H105;
- de memorie van antwoord, tevens voorwaardelijke memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en voorwaardelijke eisvermeerdering met productie 17;
- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met producties H106-H112;
- de akte houdende wijziging/verduidelijking van eis in principaal hoger beroep, alsmede de akte overlegging producties H113-H114 en de akte overlegging productie H115 die door UDB bij akte tijdens de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht;
- de mondelinge behandeling van 20 maart 2023, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
- de memorie van antwoord met producties H1-H9;
- de akte overlegging producties H10-H12 die door UDB bij akte tijdens de mondelinge behandeling in het geding zijn gebracht;
- de mondelinge behandeling van 20 maart 2023, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
3.De beoordeling
“General Sales and Delivery Conditions”. De AV vermeldt onder meer:
“Penalty missing volumes period July until October”.
“Again we respect your decision”.
‘Schuldeisersverzuim UDB?’is overwogen. Voor zover door PM is aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat UDB een beroep doet op de Beëindigingsvergoeding, terwijl UDB wanprestatie heeft geleverd, merkt het hof op dat een wanprestatie van UDB niet is vastgesteld.
“We have done all calculations and investments on this base, so it quite important to get to a minimum volume on our side.”. Dit ondersteunt de stelling van UDB dat er berekeningen aan de minimum afnameverplichting ten grondslag lagen. Voorts blijkt daaruit dat er van de zijde van UDB investeringen zijn gepleegd om de ingeschatte 400 ladingen per maand te kunnen verwerken.
“Mutually beneficial, given that UDB had idle capacity in the warehouse, with no additional fix costs and PM Principle could combine different operations in a single warehouse.”wordt niet, althans onvoldoende, door de overige feiten ondersteund. Zo heeft het hof hiervoor reeds vastgesteld dat UDB heeft moeten opschalen om de 400 ladingen per maand mogelijk te maken. Dat er geen extra kosten/investeringen noodzakelijk zouden zijn, strookt niet met de eigen mededelingen van [persoon D] in zijn e-mailbericht van 18 januari 2018 en het overzicht dat door UDB is overgelegd (productie 69). Nu [persoon D] in zijn verklaring van 7 juni 2021 niet ingaat op zijn eigen eerdere mededelingen of toelicht dat hij eerder onjuiste mededelingen heeft gedaan, gaat het hof aan zijn latere verklaring voorbij.
“When PM Principle terminates this Agreement,no matter for what reason, PM Principle is obliged to pay the agreed minimum volume based of 200 loads against above prices, for as long the Agreement would have lasted. (…)In any casethe minimum coverage fee will be 48.000€ per month, even when volumes drop below the threshold of 200 loads per calendar month.”(onderstreping hof)duiden erop dat voor PM duidelijk moet zijn geweest waartoe zij zich verplichtte. Van een disproportionele verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de minimum afname verplichting, te weten € 48.000,- per maand, is het hof niet gebleken. Dat PM slechts in beperkte mate gebruik heeft gemaakt van de faciliteiten onder de BWA en dat de BWA na anderhalf jaar alweer is geëindigd, zijn naar het oordeel van het hof geen factoren die in het voordeel van PM worden meegewogen. PM had zich immers contractueel verplicht tot een minimum afnameverplichting, bij gebreke waarvan zij in ieder geval € 48.000,- per maand verschuldigd was, het equivalent van een afname van 200 ladingen per maand. De beëindiging van de BWA na anderhalf jaar kan ook niet tot het oordeel leiden dat er moet worden gematigd, nu in de overeenkomst van partijen juist rekening is gehouden met dit scenario en partijen hebben afgesproken dat bij beëindiging
“no matter for what reason”PM de minimum vergoeding verschuldigd is voor de duur van de overeenkomst (vijf jaren).
“As UDB is already aware all PM Goods that UDB now refuses to release are perishable and a large potion of it will go out of date at the end of June 2019. These are now almost unsaleable.”(productie 21 bij inleidende dagvaarding). Dit strookt ook met het in hoger beroep overgelegde overzicht van 14 mei 2019 (productie 21 bij memorie van antwoord PM 200.301.491/01) waaruit blijkt dat over de periode juni-augustus 2019 een groot deel van de goederen over de datum ging. Voorts is niet van belang dat UDB beslag heeft laten leggen op de banksaldi van PM, nu UDB heeft aangevoerd dat zij pas op 17 juli 2019 heeft vernomen dat het beslag doel had getroffen. PM heeft dit niet weersproken. Ten tijde van het uitoefenen van het retentierecht op 16 mei 2019 bestond derhalve nog geen aanvullende zekerheid voor UDB. UDB heeft aangevoerd dat zij de goederen niet zelf kon verkopen, omdat zij daartoe niet gerechtigd was. Ook dit is niet door PM weersproken. Op het aanbod van UDB van 5 juni 2019 (productie 22 bij inleidende dagvaarding) heeft PM niet gereageerd.