Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Clic Creations B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[appellante],
wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 22 februari 2022 gewezen in het incident ex artikelen 351 Rv en 235 Rv;
- de mondelinge behandeling van 7 november 2022, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
- de bij H12 formulier van 13 oktober 2022 van de zijde van [appellanten] aan het hof gezonden bijgewerkte productielijst en producties Z.1 tot en met Z.7.
6.De verdere beoordeling
7.De hoofdzaak
Volgens vaste rechtspraak is de beslissing tot het verlenen van akte niet-dienen een tussenvonnis of tussenarrest waarbij een bindende eindbeslissing is gegeven.”
is de gehele rechtsverhouding terzake de Distributieovereenkomst en bestaande uit rechten en verplichtingen (lees: schulden) door [appellante] aan CLIC BV overgedragen.” Dit op 28 juni 2018. Blijkens artikel 7 lid 1 van Pro de distributieovereenkomst heeft Weisz daarmee bij voorbaat ingestemd en kan
De rechtbank gaat er daarom van uit dat de exclusiviteitsbepaling in de overeenkomst ontbonden is, zodat deze er niet aan in de weg staat dat [appellante] haar producten verkoopt/levert zonder tussenkomst van Weisz.”(R.o. 3.6.).
Cliënte behoudt zich het recht voor om toekomstige bestellingen eerst te leveren bij vooruitbetaling.(…)” Dat aan deze brief gevolg is gegeven is door Weisz niet onderbouwd gesteld. In zoverre slaagt grief I.
Je bestanden zijn verstuurd naar [e-mailadres 2]” en waarin onder andere wordt bericht dat het 78 bestanden betreft en met het bericht: “
Hierbij de foto’s van de nieuwe collectie in full version.(…)”) en productie U ( een e-mail van 3 juli 2017 van [appellante] aan onder meer Weisz Group met als bijlage een foto van de nieuwe modellen), bij memorie van grieven, voldoende heeft onderbouwd dat zij op 3 juli 2017 en 23 augustus 2017 ontwerpen heeft aangedragen. Dat de ontwerpen nieuw waren heeft Weisz niet betwist. Weisz stelt dat het aantal op 3 juli 2017 aangedragen ontwerpen beperkt was en zonder variaties op de thema’s die te doen gebruikelijk waren. Weisz stelt voorts dat het op 23 augustus 2017 aandragen van ontwerpen te laat was voor de Jewels&Watches-beurs van eind augustus 2017. Weisz heeft evenwel niet (onderbouwd) gesteld dat voor [appellante] een verplichting bestond tot het aandragen van meer nieuwe ontwerpen en of ontwerpen met meer variatie op de thema’s en evenmin dat voor [appellante] een verplichting bestond om naast de ontwerpen die zij op 3 juli 2017 had aangedragen eerder dan op 23 augustus 2017 nieuwe ontwerpen aan te dragen. Bovendien is door Weisz niet voldoende onderbouwd dat Weisz [appellanten] tijdig in gebreke heeft gesteld. Gezien het voorgaande heeft Weisz niet voldoende onderbouwd dat [appellanten] op het punt van aanleveren van nieuwe ontwerpen voor wat betreft 2017 te kort is geschoten in de nakoming van de in de exclusieve distributieovereenkomst in artikel 3 lid 4 opgenomen Pro verplichting om “ (…)
gedurende het jaar, doch tenminste 2 keer per jaar nieuwe ontwerpen voor de Collectie aan te dragen.” Bewijslevering is dan niet aan de orde. Dat geldt ook voor het betoog van Weisz dat zij geen samples (show- en demonstratie-exemplaren) kreeg. Dat voor de verstrekking daarvan een verplichting voor [appellanten] bestond heeft Weisz niet voldoende onderbouwd. Grief I slaagt in zoverre. [appellanten] heeft evenwel onvoldoende onderbouwd betwist dat zij voor de jaren 2018 en 2019 (tot 1 september 2019) heeft nagelaten twee maal per jaar nieuwe ontwerpen aan te dragen, als opgenomen in artikel 3 lid 4 van Pro de exclusieve distributieovereenkomst. Nu volgens het arrest van 9 februari 2021 van dit hof, de exclusieve distributieovereenkomst niet is ontbonden en dient te worden uitgegaan van een beëindiging van de overeenkomst per 31 augustus 2019, had dat wel op haar weg gelegen.
het aanleveren van Catalogi, werkboeken met aanverwante fotografie”. Bewijslevering is daarmee niet aan de orde. Grief I slaagt in zoverre.