Uitspraak
5.Het verloop van de procedure
- de tussenbeschikking van het hof van 16 september 2021;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 maart 2022;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 23 maart 2022;
- de op 25 maart 2022 ingekomen brieven van beide partijen dat zij afzien van het horen van meer getuigen;
- de memories na enquête van beide partijen;
- de antwoordmemories na enquête van beide partijen, waarbij de gemeente productie 38 (een rooster) en productie 39 (een e-mail van [betrokkene 1] van 26 mei 2022 over het rooster) heeft overgelegd. [de ambtenaar] heeft hierop niet kunnen reageren. Het hof zal bij de beslissing dan ook niet in het nadeel van [de ambtenaar] rekening houden met deze producties (artikel 85 lid 4 Rv Pro).
6.De verdere beoordeling in hoger beroep
U vraagt mij of er nog meer is gebeurd wat voor mij niet zo prettig was. Ik antwoord dat hij een paar keer tegen mijn bovenbeen tikte en mijn kuit streelde en ik heb hem daar een paar keer op aangetikt, zo van: houd daar mee op. Het ging zo dat hij mij aanraakte en dat ik dan even naar hem toeboog om te vragen wat hij wilde zeggen. Dan kwam er een soort van gemompel en eigenlijk niks uit. Dus na een paar keer hield ik daarmee op en tikte ik hem dan daarna aan om te laten merken: stop daar maar mee. U vraagt mij of hij dat verkeerd kan hebben opgevat dat ik zo terugtikte, dat hij daarmee moest ophouden. Dat denk ik niet, want het gaat ook om hoe ik mij daarbij non-verbaal heb geuit.
Toen we ook door die menigte waren heb ik gezegd dat ze die trein niet meer kon halen want die 10 minuten waar ze het over had gehad was al lang op, maar ze wilde gaan rennen en ze pakte mijn pols vast. Zo hebben we even gerend totdat ze stopte omdat ze werd gebeld door haar moeder. Dat was halverwege de brug. Daarna heb ik gezegd dat het pas 10 uur was en dat er heus nog wel een trein ging, maar ze was bang dat ze de aansluiting met de bus niet zou halen. Toen hebben we in een drafje doorgerend en heb ik op zeker moment gezegd “Ren maar alleen.” Dat heeft ze gedaan. Ik heb nog een berichtje gestuurd om te vragen of ze de trein had gehaald. Dat heeft ze met een berichtje bevestigd. Ik heb nog gevraagd om nog eens wat te laten horen maar niks meer van haar gehoord. U houdt mij voor wat [stagiaire 1] heeft verklaard over een poging haar vast te pakken en een poging om haar te zoenen. Dat is niet zo.”
“Het stelsel van de wet betreffende beëindiging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever, in het bijzonder de bescherming die deze regeling ter zake van die beëindiging aan de werknemer beoogt te bieden, brengt mee dat een zodanige vordering slechts toewijsbaar is in gevallen van ernstige wanprestatie, namelijk een wanprestatie van zodanige aard dat zij het ingrijpende gevolg van een ontbinding van de overeenkomst, in beginsel met terugwerkende kracht tot de dag van de wanprestatie, kan rechtvaardigen. Bij dit uitgangspunt is deze ontbinding veeleer op een lijn te stellen met een beëindiging van de dienstbetrekking wegens een dringende reden (…).”.