Werkneemster was sinds september 2019 in dienst bij een fysiotherapiepraktijk en meldde zich ziek in april 2022 na beëindiging van een relatie met een vennoot. Zij werd door de bedrijfsarts arbeidsongeschikt verklaard, maar verrichtte volgens werkgever vanaf oktober 2022 nevenwerkzaamheden als pilatesinstructrice en Body-therapist, die zij niet had gemeld.
Werkgever stelde dat werkneemster zich onterecht arbeidsongeschikt had gemeld en vroeg ontbinding van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht en een schadevergoeding. Werkneemster werd op staande voet ontslagen en berustte daarin. De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet terecht was en kende de gefixeerde schadevergoeding toe.
De ontbinding met terugwerkende kracht werd afgewezen omdat de tekortkomingen onvoldoende ernstig waren, mede gelet op de kwetsbare positie van werkneemster en het feit dat zij niet kon terugkeren bij werkgever. Het tegenverzoek van werkneemster tot loonbetaling werd niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een UWV-verklaring.
Partijen dragen elk hun eigen proceskosten en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.