Belanghebbende en zijn partner hadden tot 2010 ieder een eigen eenmanszaak en richtten per 1 januari 2011 een vennootschap onder firma (VOF) op. De inspecteur legde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) op voor 2011 en 2012 en stelde het verzamelinkomen voor 2013 vast. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslagen, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de VOF wel bestaat voor de omzetbelasting, maar niet voor de inkomstenbelasting, en dat het verschil in kwalificatie administratief niet te verwerken is. Het hof oordeelde dat voor beide belastingen verschillende wettelijke vereisten gelden en dat het bestaan van de VOF voor de omzetbelasting niet betekent dat deze ook voor de inkomstenbelasting bestaat.
Het hof vond dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij als ondernemer kan worden aangemerkt, mede omdat hij geen inzicht gaf in zijn zelfstandige ondernemerschap en de activiteiten van de VOF branchevreemd en gescheiden waren. Ook was er geen reden om het vastgestelde resultaat te wijzigen, omdat de onderlinge activiteiten tussen belanghebbende en zijn partner niet boven normale bijstand uitgingen.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.