Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
in haar hoedanigheid van enig beherend vennootvoor en ten behoeve van de commanditaire vennootschap. De (naar het hof begrijpt toenmalige) beherend vennoot is dus geen contractspartij. Blijkens de geldleningsovereenkomst zullen de investeerders investeren via de commanditaire vennootschap die op haar beurt bereid is een geldlening aan de “Geldnemers” te verstrekken. Als er nog een vordering op [verweerster] is die voortvloeit uit deze geldleningsovereenkomst, dan behoort de vordering daaruit dan ook toe aan de commanditaire vennootschap – die dan schuldeiser is – en niet aan Stichting Beherend Vennoot die thans de beherend vennoot is.
Volgens Stichting Beherend Vennoot zou [verweerster] in de e-mail van 17 juni 2021 echter hebben erkend in ieder geval nog € 150.000,00 verschuldigd te zijn. Deze discussie tussen partijen zal echter mede moeten worden beoordeeld aan de hand van de Haviltex-maatstaf (ook bij een vaststellingsovereenkomst: zie AG De Vries Lentsch-Kostense