Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.De zaak in het kort
2.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/353274 / HA ZA 18-896)
3.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het herstelexploot van de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
4.De beoordeling
datbij (hof: notariële) akte op (hof: 19 april 1996) (…) schuldenaar (hof: de man) in eigendom heeft verkregen van schuldeiser (hof: de ouders van de man) het navolgende registergoed (hof: de woning aan de [adres 1] te [postcode] [plaats] );
f88.000,00) door de schuldenaar is betaald (…) (
f41.181,41), zodat de schuldenaar nog aan schuldeiser schuldig is een bedrag van (…) (
f46.818,59), welk bedrag bij deze wegens geldlening door schuldenaar aan schuldeiser wordt schuldig gebleven die dit aanneemt.
f46.818,59) respectievelijk het restant daarvan, hierna te noemen: de hoofdsom, een rente verschuldigd berekend naar 6% per jaar of zoveel meer of minder als partijen zullen overeenkomen, te voldoen maandelijks bij achterafbetaling.
- de woning aan de [adres 1] te [plaats] is aan de man toegedeeld en hij is vanwege overbedeling € 62.543,-- aan de vrouw verschuldigd (rov. 3.8 tot en met 3.12 vonnis 9 oktober 2019);
- de woning aan de [adres 2] te [plaats] is aan de vrouw toegedeeld en zij is vanwege overbedeling € 2.467,66 aan de man verschuldigd (rov. 3.13 tot en met 3.17 vonnis 9 oktober 2019);
- partijen zijn in hun onderlinge verhouding gehouden ieder de helft van de schuld uit hoofde van de akte van geldlening aan de moeder van de man te voldoen, met dien verstande dat de man deze schuld voor zijn rekening zal dienen te nemen en pas een vordering op de vrouw zal hebben indien en voor zover hij meer dan zijn aandeel in die schuld heeft afgelost (rov. 2.15 en 2.18 tot en met 2.20 vonnis 19 februari 2020). Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat de man op 19 april 1996 een lening bij zijn ouders is aangegaan van fl. 46.818,59 (€ 21.245,35), dat op deze lening nooit is afgelost en ook geen rente is betaald, zodat deze schuld op de peildatum nog bestond.
- de proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
manis tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft geconcludeerd tot, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, de verdeling als volgt vast te stellen:
- de omvang van het te verdelen vermogen (grief 1)
- de schuld aan de ouders van de man (grieven 2 en 3)
- verjaring (grief 4)
- de belastingteruggave (grief 5)
vrouwheeft de grieven in het principaal hoger beroep weersproken. Zij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn hoger beroep en tot afwijzing van zijn vordering.
- het bestaan van de schuld (grief 1)
- de vraag of de schuld in de huwelijksgemeenschap valt (grief 2)
- verknochtheid van de schuld (grief 3)
- de draagplicht voor deze schuld (grief 4).
manbetoogt met zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte is overgegaan tot verdeling van het volledige vermogen dat partijen gezamenlijk bezitten. De man heeft zijn grief als volgt toegelicht.
vrouwheeft de grief weersproken.
hofstelt het volgende voorop.
rechtbankheeft in rov. 2.15. van het vonnis van 19 februari 2020 het volgende overwogen:
manmaakt de schuld aan zijn moeder (zijn vader is inmiddels overleden) in zijn geheel deel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Die schuld moet in de verdeling (ex art. 3:185 BW Pro) worden betrokken en aan hem worden “toegedeeld”. Vervolgens dient de vrouw de helft van die schuld aan hem te voldoen door middel van verrekening (“met toescheiding van dat passief aan de man met als gevolg dat de helft van die schuld ten laste van de vrouw wordt gebracht aldus dat de vrouw aan de man de helft van die schuld dient te vergoeden c.q. die helft in mindering komt op hetgeen de man aan de vrouw terzake overbedeling verschuldigd is”). Het is daarbij niet van belang op welke wijze de betaling van de man aan zijn moeder plaats zal vinden (“Hoe de schuld tussen de man en zijn moeder (respectievelijk zijn moeder en zijn zus) wordt verrekend c.q. betaald en wanneer en op welke wijze regardeert de vrouw niet en is in het kader van de verrekening niet van belang”).
vrouwheeft de grieven weersproken.
vrouwrichten zich tegen de volgende oordelen van de rechtbank:
manheeft de grieven weersproken.
hofzal als eerste, als meest verstrekkende grief, het beroep op verjaring door de vrouw bespreken.
vrouwbetwist het bestaan van een geldlening. Volgens haar is de akte van geldlening (prod. 3 bij cva in conventie) een “papieren constructie” en is feitelijk – zo begrijpt het hof haar standpunt – sprake van een schenking. De vrouw doet daarbij een beroep op de bedoeling van de man en zijn ouders waaruit zou blijken dat van de man geen terugbetaling en evenmin rentebetalingen worden verwacht.
hofstelt vast dat de notaris die betrokken is geweest bij de onderhandse akte van geldlening op 22 april 1996 een brief aan de man en zijn ouders heeft verzonden. De inhoud van die brief kan worden beschouwd als een toelichting op de door de notaris, voor de man en zijn ouders, opgestelde overeenkomst van geldlening en huurovereenkomst (na de eigendomsoverdracht van de woning aan de [adres 1] op 19 april 1996 van de ouders aan de man zijn de ouders die woning van de man gaan huren en aan hem huur verschuldigd).
rechtbankoverwoog in rov. 2.18 als volgt:
manheeft zijn grief als volgt toegelicht.
vrouwtreft de grief om de volgende redenen geen doel.
hofoverweegt als volgt. De mogelijkheid om zich op het verstreken zijn van de van toepassing zijnde verjaringstermijn te beroepen is, naar algemeen wordt aangenomen, een verweermiddel. Het staat de schuldenaar, in dit geval de man, vrij om daarvan gebruik te maken. Laat hij dit na, dan blijft de verbintenis afdwingbaar. Dit betekent dat de man de bevoegdheid heeft in zijn rechtsverhouding tot zijn moeder, een beroep te doen op verjaring van rentetermijnen.
manbetoogt met zijn laatste grief dat de rechtbank de op of omstreeks 30 juni 2017 door de vrouw ontvangen belastingteruggave ten onrechte buiten de verdeling heeft gelaten. Hij licht zijn grief als volgt toe.
vrouwheeft de grief weersproken. De rechtbank heeft in rov. 3.24. van het tussenvonnis van 9 oktober 2019 de belastingteruggave in de verdeling betrokken. In het dictum van het eindvonnis heeft de rechtbank hier per abuis niet naar verwezen. De rechtbank heeft echter wel op dit punt beslist.
hofstelt vast dat de rechtbank in haar tussenvonnis in rov. 3.24. als volgt heeft geoordeeld: