Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 25 september 2018 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen van partijen heeft gelast;
- het H16-formulier van 12 november 2018 van [geïntimeerde 2] ;
- het proces-verbaal van comparitie van 29 november 2018;
- de memorie van grieven met producties en eiswijziging van [appellant] ;
- de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel en vermeerdering van eis met producties van [geïntimeerde 1] ;
- de ambtshalve door de rolraadsheer verleende akte niet-dienen ten aanzien van de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] van 7 mei 2019;
- de memorie van antwoord in het incidenteel appel met producties van [appellant] ;
- het schriftelijke pleidooi, waarbij [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] pleitnotities hebben overgelegd. [geïntimeerde 1] heeft daarbij gebruik gemaakt van de mogelijkheid in het procesreglement, om onderaan de pleitnotitie een beknopte reactie te geven op de pleitnota’s van [appellant] en [geïntimeerde 2] .
6.De beoordeling
primairde beslissing van de rechtbank te vernietigen waar de rechtbank oordeelt dat [geïntimeerde 1] het door haar geleende bedrag ad € 3.141,-- nog schuldig is aan de nalatenschap en voor recht te verklaren dat het door [geïntimeerde 1] van haar vader geleende bedrag ad € 3.141,-- is verrekend met de door de overige erfgenamen reeds onderling verdeelde geldsom van € 7.300,--, zodat met de lening geen rekening meer behoeft te worden gehouden;
subsidiairvoor het geval het gerechtshof overweegt dat [geïntimeerde 1] er niet in geslaagd is te bewijzen dat het door haar geleende bedrag reeds is verrekend met de door de andere erfgenamen reeds opgenomen contanten ter hoogte van € 7.300,-- verzoekt [geïntimeerde 1] om het vonnis van de rechtbank wat betreft de berekening van de wijze van verdeling en de afwijzing van de reconventionele vorderingen in stand te laten;
“[geïntimeerde 1] handhaaft haar standpunt in verband met de verdeling van het contante geld dat bij haar vader in huis was voor een bedrag van € 7.300,-- tussen de twee broers van [geïntimeerde 1] haar schuld met betrekking tot het bedrag van € 3.141,-- dat zij van haar vader heeft geleend, is voldaan. Wat betreft de gang van zaken hieromtrent verwijst [geïntimeerde 1] naar het door [appellant] opgestelde overzicht dat door als productie HB10 in het geding wordt gebracht.”