Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/336503 / HA ZA 18-486)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord.
3.De beoordeling
Uit de inhoud en strekking van de overeenkomst, althans uit de (postcontractuele) redelijkheid en billijkheid, alsmede uit de vanaf 2014 tussen partijen gemaakte afspraken, vloeit voort dat [appellante] rechthebbende is van de fosfaatrechten. De 69 stuks jongvee waren eigendom van [appellante] en behoorden tot zijn bedrijfsvermogen. Het jongvee werd ten behoeve van [appellante] gehouden, verzorgd en opgefokt. [appellante] bleef ook gedurende de verzorgings- en opfokperiode eigenaar van dat jongvee. Een redelijke uitleg en toepassing van de overeenkomst brengt met zich dat [appellante] ook rechthebbende is geworden van alle (vermogens-)rechten die van overheidswege met betrekking tot dat jongvee zijn en worden toegekend. Fosfaatrechten strekken ertoe om melkveebedrijven niet meer mest (fosfaat) te laten produceren dan de hoeveelheid mest die werd geproduceerd met het aantal koeien dat op 2 juli 2015 deel uitmaakte van hun bedrijf. Het teruggekeerde jongvee kon/kan op het bedrijf van [appellante] met ingang van 1 januari 2018 alleen voor de melkproductie worden ingezet voor zover daartoe voldoende fosfaatrechten aanwezig zijn. Deze fosfaatrechten ontbreken echter, omdat ze om puur administratieve redenen aan [geïntimeerde] zijn toegekend. [geïntimeerde] heeft de fosfaatrechten niet nodig omdat het jongvee van [appellante] , waarvoor [geïntimeerde] de fosfaatrechten heeft ontvangen, zich niet meer op het bedrijf van [geïntimeerde] bevindt. Daarom is het redelijk en billijk om [appellante] aan te merken als rechthebbende van de fosfaatrechten. Bovendien is vanaf 2014 meerdere malen tussen partijen besproken en afgesproken dat alle toekomstige
(productie)rechten, verband houdende met het vee van [appellante] , voor [appellante] zouden zijn. [appellante] heeft ten onrechte geweigerd om onvoorwaardelijk medewerking te verlenen aan de overdracht van de fosfaatrechten en is daarom schadeplichtig jegens [appellante] .
Subsidiair is [geïntimeerde] schadeplichtig omdat hij ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [appellante] en [appellante] dienovereenkomstig is verarmd. Daarbij gaat het om de waarde die is gemoeid met de 69 stuks jongvee die [geïntimeerde] op 2 juli 2015 ten behoeve van [appellante] hield.
NJ1997/592 (
Taams/Boudeling), rov. 3.4).
Kamerstukken II2015-2016, 34 532, nr. 3). Het gaat er dus niet om dat [appellante] op de peildatum van 2 juli 2015 eigenaar van de 69 stuks jongvee was. Als de feitelijk houder van de dieren komen de fosfaatrechten aan [geïntimeerde] toe. Deze rechten zijn haar dus terecht op grond van de wet en in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever toegekend.