De verdachte, handelend onder een eenmanszaak, werd vervolgd wegens het opzettelijk niet of gedeeltelijk betalen van omzetbelasting over meerdere kwartalen. In eerste aanleg werd hij veroordeeld tot een taakstraf. In hoger beroep werd de tenlastelegging gewijzigd en onderzocht het hof de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Het hof stelde vast dat de belastingdienst voor dezelfde feiten reeds verzuimboetes had opgelegd op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Deze bestuurlijke boetes hebben dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging, waardoor strafrechtelijke vervolging in beginsel niet is toegestaan volgens het ne bis in idem-beginsel.
Omdat geen nieuwe bezwaren waren bekendgemaakt en geen machtiging van de rechter-commissaris was verkregen, oordeelde het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Tevens overwoog het hof dat de verdachte zich op de strafuitsluitingsgrond van tijdig verzoek om uitstel van betaling kon beroepen, aangezien dit verzoek vormvrij is voor eenmanszaken en door de belastingdienst bekend was.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging. Deze uitspraak bevestigt de bescherming van het ne bis in idem-beginsel en benadrukt het belang van correcte toepassing van fiscale en strafrechtelijke procedures.