Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
mr. P.R. Dekker i.z.h.v. (opvolgend) vereffenaar in de nalatenschap van [appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
8.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 12 maart 2019;
- de akte van [geïntimeerde] van 17 december 2019 tot hervatting rechtsgeding (art. 227 Rv Pro);
- de akte van de vereffenaar van 11 februari 2020 tot overnemen hoger beroep door vereffenaar, inbreng productie, verzoek rolvoeging met zaak 200.230.960/02 en intrekken hoger beroep (art. 129 Rv Pro);
- de antwoordakte van [geïntimeerde] van 17 maart 2020;
- de antwoordakte van [appellant] van 14 april 2020 tevens akte overlegging productie voor pleidooi, met als productie 9: bijlagen 201 t/m 382;
- het H-16 formulier van [geïntimeerde] voor de rol van 14 juli 2020 (verzoek arrest en bezwaar tegen mondeling pleidooi, subsidiair verzoek schriftelijk pleidooi);
- het H-16 formulier van de vereffenaar voor de rol van 14 juli 2020 (verzoek arrest, subsidiair verzoek schriftelijk pleidooi);
- het H-14 formulier van de vereffenaar voor de rol van 14 juli 2020 (verzoek arrest en bezwaar tegen mondeling pleidooi, subsidiair verzoek schriftelijk pleidooi).
9.De verdere beoordeling
vonnis 1), de incidentele vordering afgewezen. De rechtbank overwoog daarbij onder meer:
2.2. Moeder heeft inmiddels de vordering van [appellant] volledig afgelost. Een groot deel van het daarna resterend vermogen van moeder is ook op naam van [appellant] gezet. Volgens moeder betrof dat de aflossing van de vordering van [geïntimeerde] , die door [appellant] in zijn hoedanigheid van toegevoegd executeur is aanvaard. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat zijn geldvordering daarmee niet rechtsgeldig is afgelost. [geïntimeerde] heeft na daartoe verkregen verlof conservatoir beslag laten leggen op de woning van moeder en onder ING Bank N.V., ABN AMRO Bank N.V. en Coöperatieve Rabobank U.A.. In de hoofdzaak vordert [geïntimeerde] onder meer een voorwaardelijke veroordeling van moeder tot betaling van de geldvordering van [geïntimeerde] (onder de voorwaarde dat moeder overlijdt, failliet gaat e.d.). Moeder voert in de hoofdzaak onder meer als verweer dat de geldvordering van [geïntimeerde] niet meer bestaat omdat die volledig is afgelost.’
6.11. In het onderhavige geval is naar het oordeel van het hof sprake van misbruik van procesrecht. [appellant] had het instellen van het hoger beroep, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege moeten laten.
vonnis 2), een comparitie van partijen gelast.
vonnis 3), de incidentele vordering van [appellant] afgewezen. De rechtbank overwoog daarbij onder meer:
3.3. De rechtbank overweegt als volgt.
[appellant] nog steeds (toegevoegd) executeur is in de nalatenschap van vader.
vonnis 4), ondanks bezwaar van mr. Dhalganjansing, de ambtshalve voeging bevolen met de eveneens bij die rechtbank aanhangige procedure tussen [geïntimeerde] enerzijds en [appellant] en moeder anderzijds onder zaaknummer 328439 / HA ZA 17-808.
vonnis 5) verstaan dat de zaak met zaaknummer C/01/320433 / HA ZA 17-286 is geschorst in afwachting van het (eind)arrest van het gerechtshof tegen het vonnis van deze rechtbank van 3 januari 2018. In verband hiermee heeft de rechtbank ook de behandeling van de zaak met zaaknummer C/01/328439 / HA ZA 17-808 aangehouden.
‘.. een duidelijk overzicht van hun – nauwkeurig bijgehouden – handelwijze over de afgelopen tien jaren… blijkt dat moeder en [appellant] altijd te goeder trouw hebben gehandeld…’) kan het hof in dit geding geen oordeel geven.
2.4. De advocaat van moeder verwijst in zijn conclusie naar de als productie 1 bijgevoegde eigen conclusie van antwoord van zijn cliënte, die hij als herhaald en ingelast beschouwd. De bij die eigen conclusie behorende 142 bijbehorende bijlagen zijn nog niet in het geding gebracht. De rechtbank houdt echter slechts rekening met hetgeen in de conclusie van antwoord van de advocaat is vermeld. Hetgeen moeder tot haar verweer wenst aan te voeren, dient immers in de conclusie van antwoord te worden opgenomen en niet in een bij die conclusie gevoegde bijlage’.
ad b.
1. Omvang executele
De executele omvat alle goederen en schulden die tot mijn nalatenschap behoren.
(…)
3. Taak
De executeur heeft tot taak de goederen van mijn nalatenschap te beheren, vorderingen te innen en de schulden van mijn nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit de goederen van mijn nalatenschap behoren te worden voldaan.
(…)
13. Toevoeging en opvolgend executeur
a. De executeur heeft de bevoegdheid één of meer andere executeurs aan zich toe te voegen of in zijn plaats te stellen.
Deze andere executeur(s) heeft (hebben) dezelfde bevoegdheden als hiervoor vermeld (…)
14. Einde taak
De taak van de executeur eindigt:
a. wanneer de executeur zijn werkzaamheden heeft voltooid;
(…)
De gewezen executeur blijft verplicht te doen wat niet zonder nadeel voor de afwikkeling van de nalatenschap kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de nalatenschap bevoegd is, dit heeft aanvaard.
(…)
III. AFWIKKELINGSBEWIND
Ik benoem mijn echtgenote tevens tot bewindvoerder voor de afwikkeling van mijn nalatenschap. Zij is gerechtigd tot alle daden van beheer en beschikking om de nalatenschap in staat van verdeling te brengen en de nalatenschap geheel zelfstandig te verdelen tussen mijn erfgenamen zulks met inachtneming van een ieders erfdeel in mijn nalatenschap en mijn erfgenamen daarin te vertegenwoordigen. Mijn echtgenote is derhalve ook zelfstandig bevoegd toe te delen aan zichzelf, al ware er een wettelijke verdeling en inhoudelijk overeenkomend met de wettelijke verdeling, als bedoeld in artikel 13 Boek Pro 4 van het Burgerlijk Wetboek alle goederen die tot mijn nalatenschap behoren, onder de verplichting alle schulden van mijn nalatenschap als hiervoor onder I. O. vermeld, alsmede alle overige kosten van boedelafwikkeling voor haar rekening te nemen, Indien en voorzover mijn echtgenote door deze toedeling wordt overbedeeld, krijgen mijn kinderen op grond van de verdeling een vordering in geld ten laste van mijn echtgenote berekend in het saldo van de nalatenschap, met inachtneming van bovenbedoelde schulden.
Het afwikkelingsbewind is ingesteld voor een periode benodigd voor het afwikkelen en verdelen van mijn nalatenschap en gaat in op de dag van mijn overlijden. Gedurende deze periode is mijn echtgenote bevoegd om over de goederen van mijn nalatenschap als vertegenwoordiger van mijn erfgenamen te beschikken, als ware zij enig rechthebbende, (…)’.
van vadernu nog zou bestaan, mede in het licht van het feit dat na de verdeling de volledige nalatenschap van vader in het vermogen van moeder is opgegaan en er daarna nog slechts een geldvordering van ieder der kinderen op moeder resteerde. De taak van de executeur was dus beëindigd.
ad c.Het hof overweegt dat een partij op de voet van art. 217 Rv Pro in een aanhangig geding kan vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.
10.De uitspraak
€ 3.222,-- aan salaris advocaat te vermeerderen met de wettelijke rente van art. 6:119 BW Pro vanaf twee dagen na de betekening van dit arrest;