De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van overtreding van een voorschrift krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, namelijk het binnen Nederland brengen en voorhanden hebben van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik. De verdediging stelde primair dat de verdachte ontslagen moest worden van rechtsvervolging omdat het derde lid van artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit een logische specialis zou zijn van het eerste lid, en dat alleen het derde lid van toepassing zou zijn op particulieren.
Het hof oordeelde echter dat het eerste lid van artikel 1.2.2 ook van toepassing kan zijn op particulieren die professioneel vuurwerk binnen Nederland brengen, omdat de tekst en strekking van het artikel niet beperken tot professionele partijen. Het derde lid is geen logische specialis van het eerste lid, mede omdat de strekking en de bestanddelen verschillen. Hierdoor is de tenlastelegging op het eerste lid terecht en is de strafbaarheid van het bewezenverklaarde gegeven.
Het hof heeft de straf bepaald rekening houdend met de ernst van het feit, het potentieel gevaar van het vuurwerk, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De verdachte krijgt een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Het vonnis van de politierechter wordt in zoverre vernietigd en opnieuw vastgesteld, voor de rest bevestigd.