Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,2. [appellante] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/348151 / KG ZA 19-408)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en vijf producties (genummerd 20 tot en met 24);
- de conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens inhoudende een wijziging van eis, met vijf producties (genummerd 1 tot en met 5);
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met twee producties (genummerd 25 en 26);
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de voorafgaand aan het pleidooi door mr. Koeslag toegezonden producties 27 tot en met 36, die [appellanten] bij het pleidooi bij akte in het geding hebben gebracht;
- de voorafgaand aan het pleidooi door mr. Aarts toegezonden producties 6, 7 en 8, die [geïntimeerde] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
- een reactie op de pleitnotitie van [appellanten] in het geding bij de voorzieningenrechter;
- een reactie op de dagvaarding in hoger beroep met grieven.
3.De beoordeling
- [appellanten] zijn sinds 14 juli 2014 eigenaren van de woning met bijbehorende grond aan de [adres 1] te [plaats 1] . Zij bewonen die woning.
- [geïntimeerde] is sinds 31 augustus 2015 eigenaar van de woning met bijbehorende grond aan de [adres 2] te [plaats 1] . [geïntimeerde] bewoont die woning.
- De woningen staan dicht naast elkaar. Partijen zijn buren van elkaar.
- De achtertuinen van beide percelen zijn gericht naar het zuidwesten. Tussen de twee achtertuinen staat op de perceelgrens een houten schutting van (ongeveer) twee meter hoog.
- Naast de woning van [geïntimeerde] staat een garage, grenzend aan de garage van de woning met huisnummer [huisnummer 1] . Naast de woning van [appellanten] staat een garage, grenzend aan de garage van de woning met huisnummer [huisnummer 2] . Achter de garage van [appellanten] bevindt zich een veranda. Het dak van die veranda is zichtbaar op de Google-satellietafbeelding die tijdens het pleidooi met partijen is besproken. [appellanten] hebben verlichting aangebracht in de veranda.
- Op 22 mei 2017 (volgens [appellanten] ) dan wel begin 2018 (volgens [geïntimeerde] ) hebben [appellanten] aan hun zijde van de schutting een viertal leibeuken geplant met een totale hoogte van 3.50 meter. De leibeuken stonden ten tijde van het geding bij de voorzieningenrechter binnen een afstand van 50 centimeter van de perceelgrens tussen beide achtertuinen.
- Ter plaatse geldt de Bomenverordening [plaats 2] . Artikel 13 lid 1 van Pro die verordening luidt als volgt:
- In of omstreeks april 2018 hebben [appellanten] opwaarts schijnende sfeerverlichting aangebracht onder de leibeuken.
- Bij de achterdeur van de woning van [appellanten] bevindt zich een lamp op de buitengevel.
- Bij brief van 1 april 2019 heeft [geïntimeerde] [appellanten] verzocht om de leibeuken te verwijderen.
- Bij brief van 18 april 2019 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de gemachtigde van [appellanten] onder meer meegedeeld dat [geïntimeerde] ook hinder ondervindt van de wijze waarop [appellanten] de leibeuken van onderaf met spotjes verlichten. De advocaat van [geïntimeerde] heeft in deze brief verzocht om een constructieve reactie met oplossing.
- De partijen hebben over de genoemde kwesties geen overeenstemming bereikt..
- A. [appellanten] te veroordelen tot het terugbrengen van de hoogte van de leibeuken op perceel [adres 1] tot een hoogte die gelijk is aan de ter plaatse tussen de percelen van partijen aanwezige erfafscheiding, en aldus tot een hoogte van maximaal twee meter;
- B. [appellanten] te verbieden om gedurende de periode na zonsondergang de aanwezige leibeuken en andere objecten te verlichten, althans er voor zorg te dragen dat deze verlichting geen hinder voor [geïntimeerde] oplevert;
- C. [appellanten] te gebieden om een zodanige voorziening te treffen dat het strooilicht dat afkomstig is van de lamp bij de achterdeur van hun woning niet langer zichtbaar is vanuit de tuin en/of de woning van [geïntimeerde] ;
- De leibeuken staan te dicht bij de grens tussen de percelen van partijen.
- De leibeuken veroorzaken onrechtmatige hinder voor [geïntimeerde] .
- [appellanten] veroorzaken onrechtmatige hinder voor [geïntimeerde] door de leibeuken en hun veranda (in punt 27 van de inleidende dagvaarding “tuinhuis” genoemd) met sierverlichting te verlichten en door de lamp bij hun achterdeur niet af te schermen of lager te hangen.
- De leibeuken zijn aan te merken als bomen (rov. 4.2).
- Op grond van artikel 5:42 lid 2 BW Pro in verband met het bepaalde in de Bomenverordening [plaats 2] is het niet toegestaan om bomen binnen 50 centimeter van de grenslijn tussen de percelen te hebben (rov. 4.3).
- De afstand van de leibeuken tot de erfafscheiding is minder dan de voorgeschreven 50 centimeter. [appellanten] handelen dus in strijd met het verbod van artikel 5:42 BW Pro (rov. 4.4).
- [geïntimeerde] heeft in beginsel recht op beëindiging van deze onrechtmatige situatie. Dit levert echter geen grond op voor een veroordeling van [appellanten] om de leibeuken terug te snoeien tot een hoogte van twee meter (rov. 4.5).
- [geïntimeerde] heeft onvoldoende onderbouwd dat de leibeuken voor [geïntimeerde] onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW Pro veroorzaken (rov. 4.6).
- [appellanten] verboden om gedurende de periode na zonsondergang de aanwezige leibeuken en andere objecten te verlichten;
- [appellanten] geboden om een zodanige voorziening te treffen dat het strooilicht dat afkomstig is van de lamp bij de achterdeur van de woning van [appellanten] . niet langer zichtbaar is vanuit de tuin en/of woning van [geïntimeerde] ;
- [appellanten] veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 250,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan het genoemde verbod en gebod voldoen;
- bepaald dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, (mede) in aanmerking genomen de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;
- het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de proceskosten tussen de partijen gecompenseerd, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
- primair: veroordeling van [appellanten] om binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen arrest de op het perceel [adres 1] te [plaats 1] aanwezige leibeuken te verwijderen en verwijderd te houden;
- subsidiair: [appellanten] te veroordelen tot het terugbrengen van de hoogte van de leibeuken op perceel [adres 1] tot een hoogte die gelijk is aan de ter plaatse tussen de percelen van partijen aanwezige erfafscheiding, en aldus tot een hoogte van maximaal twee meter;
- vernietiging van het vonnis uitsluitend voor zover bij dat vonnis vordering A is afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd;
- in zoverre opnieuw rechtdoende: toewijzing van de gewijzigde eis van [geïntimeerde] , met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.
4.De uitspraak
- de vordering tot het terugsnoeien van de leibeuken is afgewezen;
- de proceskosten van het geding in eerste aanleg tussen de partijen zijn gecompenseerd;