Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift tevens wijziging van eis met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 22 mei 2019;
- het verweerschrift ingekomen ter griffie op 1 augustus 2019;
- het V6-formulier van [appellante] met de aantekeningen van de griffier van de zitting in eerste aanleg op 25 januari 2019, ingekomen ter griffie op 11 juni 2019;
- een brief van [appellante] met producties 1 tot met 13, ingekomen ter griffie op 27 september 2019;
3.De beoordeling
Business (ESB) en bij 100% arbeidsgeschiktheid herplaatsing in deze functie;
wanneer die functie voor 1 april 2019 niet is gevonden, een vaststellingsovereenkomst
op te maken.
wettelijke rente;
de wettelijke rente;
geldende opzegtermijn van drie maanden en acht weken, zonder aftrek van de periode
die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de
ontbindingsbeschikking;
2018 en 1 april 2019 aan haar toekent, te vermeerderen met de wettelijke rente;
Gezien het voorgaande stelt het hof vast dat in hoger beroep door [appellante] in elk geval (ook) wordt verzocht om toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:683 BW Pro en een transitievergoeding. Het hof begrijpt voorts dat het hoger beroep van [appellante] zich niet richt tegen de beslissingen van de kantonrechter inzake het tijdstip van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de betaling van de periodieke loonsverhogingen op grond van de cao, zodat de twee daarop ziende verzoeken van [appellante] in hoger beroep niet aan de orde zijn en geen behandeling behoeven.
Naar aanleiding van dit verweer overweegt het hof als volgt. Uitgangspunt is dat een werknemer die voldoet aan de in artikel 7:673 BW Pro genoemde voorwaarden recht heeft op een transitievergoeding. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] voldoet aan de in artikel 7:673 BW Pro vermelde voorwaarden. Avans heeft zich beroepen op de uitzondering van artikel 7:673b lid 1 BW. Ingevolge deze bepaling is geen transitievergoeding verschuldigd wanneer in een cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen. Een beroep op deze uitzondering vormt naar het oordeel van het hof een zelfstandig verweer, zodat het aan Avans is om feiten en omstandigheden te stellen (en zo nodig te bewijzen) waaruit volgt dat de er sprake is van een gelijkwaardige voorziening.
heeft deze aanspraken en de hoogte daarvan niet weersproken, ook niet tijdens de zitting in hoger beroep. [appellante] betwist echter dat er sprake is van een gelijkwaardige voorziening. Volgens haar brengt het feit dat het bedrag aan uitkeringsrechten in absolute zin meer is dan de wettelijk verschuldigde transitievergoeding niet zonder meer mee dat deze rechten dienen te worden aangemerkt als een gelijkwaardige regeling. Daar komt bij dat Avans aan de drie andere adjunct-directeuren en de algemeen directeur, los van de aan hen toekomende uitkeringsrechten wel een transitievergoeding heeft toegekend. Daarmee wordt volgens [appellante] bevestigd dat Avans de uitkeringsrechten niet aanmerkt als een met de transitievergoeding gelijkwaardige regeling.
Ook indien wordt uitgegaan van de door [appellante] gestelde hoogte van de transitievergoeding, is de gekapitaliseerde potentiële waarde van de voorzieningen ca. 3,5 keer zo hoog als de transitievergoeding. Gelet op het voorgaande acht het hof de in de cao HBO opgenomen voorzieningen waarop [appellante] aanspraak kan maken zeker gelijkwaardig aan de wettelijke transitievergoeding. Hierbij is ook in aanmerking genomen dat de voorzieningen zijn te beschouwen als compensatie voor de gevolgen van het ontslag en dat de hierbij gemoeide financiële middelen [appellante] in staat stellen om de transitie naar een andere baan te vergemakkelijken. Daaraan doet niet af dat volgens beide partijen de cao-partijen niet hebben aangegeven of de voorzieningen waarop Avans een beroep doet als gelijkwaardig hebben te gelden. Uit dit enkele feit kan niet worden afgeleid dat de voorzieningen niet gelijkwaardig zijn. Ook het feit dat Avans in het kader van een minnelijke regeling aan [appellante] en de andere leden van de directie van de Academie voor Deeltijd heeft aangeboden een transitievergoeding te betalen, welke regeling de andere leden van de directie hebben geaccepteerd, maakt niet dat de voorzieningen uit de cao niet als gelijkwaardig aan de wettelijke transitievergoeding kunnen worden beschouwd.