Belanghebbende, geboren in 1948, ontving in 2016 pensioenuitkeringen van Stichting Pensioenfonds ABP en een AOW-uitkering. In zijn belastingaangifte gaf hij de pensioeninkomsten aan als loon uit tegenwoordige arbeid en vroeg hij arbeidskorting aan. De inspecteur kwalificeerde deze inkomsten echter als inkomsten uit vroegere arbeid, waardoor de arbeidskorting verviel.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna hij hoger beroep instelde bij het gerechtshof. Het hof oordeelde dat de pensioeninkomsten hun oorzaak vinden in het voorheen verrichten van arbeid en dus loon uit vroegere arbeid zijn. De voortgezette pensioenopbouw na het functioneel leeftijdsontslag doet hieraan niet af.
Belanghebbende stelde dat de pensioenuitkeringen uitgesteld loon zijn en dat over de pensioenpremies al belasting is betaald, maar dit werd niet bewezen en leidt niet tot recht op arbeidskorting. Het hof bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.