Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,wonende te [woonplaats] ,
[appellante 2] ,wonende te [woonplaats] ,
1.Het verloop van het geding tot herroeping
- herroeping van het arrest van 29 september 2015;
- heropening van het geding;
- veroordeling van Brabanthuis in de proceskosten van het geding tot de uitspraak over de heropening, en van de procedure daarna.
- het volledige procesdossier van de in eerste aanleg tussen partijen gevoerde procedure, welke procedure is geëindigd met het eindvonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, locatie Eindhoven, van 21 november 2013 (zaaknummer 901344 / CV EXPL 13-6331);
- het volledige procesdossier van de procedure in hoger beroep, welke procedure is geëindigd met het arrest van 29 september 2015 waarvan thans herroeping wordt gevraagd.
2.De beoordeling van de vordering tot herroeping
- [appellant 1] en [appellante 2] hebben op 9 april 2010 met Brabanthuis een koop-aannemingsovereenkomst gesloten ter zake de koop van een in de gemeente Gilze en Rijen gelegen perceel grond met een daarop door Brabanthuis te realiseren nieuwbouwwoning. In de koopovereenkomst is het perceel benoemd met het bouwnummer [bouwnummer 1] .
- Als bijlage 6 behoorde bij de koopovereenkomst een tekening (tekening [verkooptekening] ). Onderdeel van deze tekening vormt een situatieschets waarop de positie van de woning in de wijk is aangegeven. Op deze situatieschets is voor de woning met bouwnummer [bouwnummer 1] een klein schuin aflopend gemeenteplantsoen aangegeven. Op de situatieschets is ook een schuin liggend voetpad te zien, dat eindigt voor de woning met bouwnummer [bouwnummer 2] . Ook is een rij parkeervakken ingetekend waarvan het eerste parkeervak, bezien vanaf de woning van [appellant 1] en [appellante 2] , gelegen is voor de woning met bouwnummer [bouwnummer 3] .
- Het perceel is bij notariële akte van 7 juni 2010 aan [appellant 1] en [appellante 2] geleverd.
- Op 13 maart 2012 heeft Brabanthuis de nieuwbouwwoning van [appellant 1] en [appellante 2] aan hen opgeleverd. Het betreft een rijtjeshuis waaraan het adres [adres] te [woonplaats] is toegekend.
- Na de realisatie van de rij woningen is de infrastructuur, waaronder het ten opzichte van de woningen schuin liggende voetpad en de parkeervakken voor auto’s, aangelegd. Daarbij zijn het einde van het schuin liggende voetpad en het laatste parkeervak voor de woning van [appellant 1] en [appellante 2] aangelegd.
- primair: veroordeling van Brabanthuis tot betaling van € 15.000,-- vermeerderd met wettelijke rente;
- subsidiair: vermindering van de koopprijs van de woning met € 15.000,-- vermeerderd met wettelijke rente, en veroordeling van Brabanthuis tot terugbetaling van het bedrag van € 15.000,-- vermeerderd met wettelijke rente.
- Brabanthuis heeft bij de koop-/aannemingsovereenkomst niet de verbintenis op zich genomen om ervoor te zorgen dat voor de woning van [appellant 1] en [appellante 2] geen stoep en parkeerplaats maar een gemeenteplantsoen zou worden gerealiseerd. Ook heeft Brabanthuis geen daartoe strekkende garantie gegeven. Een tekortkoming van Brabanthuis in de nakoming van de koopovereenkomst is daarom niet komen vast te staan (rov. 3.5.7 en 3.5.8).
- Het beroep van [appellant 1] en [appellante 2] op dwaling moet worden verworpen omdat de dwaling uitsluitend een omstandigheid betreft die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en ten tijde van het leveren van het perceel nog toekomstig was (rov. 3.6.9), en bovendien een dwaling die voor hun eigen rekening moet blijven (rov. 3.6.10 en 3.6.13). Dat de voor Brabanthuis optredende makelaar aan [appellant 1] en [appellante 2] onjuiste mededelingen heeft gedaan of garanties heeft gegeven, is uit de stellingen van [appellant 1] en [appellante 2] niet af te leiden (rov. 3.6.12).
- De producties bieden geen aanknopingspunt voor de stelling van [appellant 1] en [appellante 2] dat Brabanthuis al ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst wist dat er voor de woning geen stukje openbaar groen maar een parkeerplaats zou komen. Er kan dus niet worden geoordeeld dat Brabanthuis jegens [appellant 1] en [appellante 2] onrechtmatig heeft gehandeld door misleidende informatie te geven of door belangrijke informatie te verzwijgen (rov. 3.7).
- a. het arrest van 29 september 2015 berust op bedrog door Brabanthuis in het geding gepleegd, in de zin van artikel 382 sub a Rv Pro;
- b. het arrest van 29 september 2015 berust op stukken waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, in de zin van artikel 382 sub b Rv Pro;
- c. [appellant 1] en [appellante 2] na het arrest stukken van beslissende aard in handen hebben gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden, in de zin van artikel 382 sub c Rv Pro.
- dat zij er ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van 9 april 2010 niet van op de hoogte was dat er voornemens bestonden om voor de woning van [appellant 1] en [appellante 2] , anders dan was aangegeven op verkooptekening [verkooptekening] , een parkeerplaats te realiseren;
- dat zij geen enkele bemoeienis had met de aanleg van de infrastructuur voor de woning.
- de gemeente en Brabanthuis nauw met elkaar samenwerkten bij de inrichting van het openbaar gebied voor de woning en dat Brabanthuis daarop dus invloed had; en
- Brabanthuis ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van 9 april 2010 al wist dat het voornemen bestond om voor de woning geen groenstrook maar een parkeerplaats te realiseren.
- [appellant 1] en [appellante 2] hebben op 25 maart 2014 bij het college van B&W een verzoek ingediend om toekenning van een vergoeding voor planschade. Dit verzoek is afgewezen bij primair besluit van 10 november 2014. Het door [appellant 1] en [appellante 2] tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit op bezwaar van 7 april 2015 ongegrond verklaard. Het door [appellant 1] en [appellante 2] tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep is door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, afdeling Bestuursrecht, ongegrond verklaard bij uitspraak van 13 januari 2017. [appellant 1] en [appellante 2] hebben tegen die uitspraak geen hoger beroep ingesteld.
- Bij (civiele) dagvaarding van 18 juli 2017 hebben [appellant 1] en [appellante 2] Brabanthuis vervolgens opnieuw in rechte betrokken. In die dagvaarding staat onder meer het volgende:
- Brabanthuis heeft zich in de bij dagvaarding van 18 juli 2017 tegen haar aangespannen procedure onder meer verweerd met een beroep op het gezag van gewijsde (artikel 236 Rv Pro) van het vonnis van 21 november 2013 en van het arrest van 29 september 2015.
- De procedure is uitgemond in een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 januari 2018, waarbij de rechtbank het beroep van Brabanthuis op het gezag van gewijsde heeft gehonoreerd en [appellant 1] en [appellante 2] niet-ontvankelijk heeft verklaard. Naar aanleiding van de stelling van [appellant 1] en [appellante 2] dat zij niet de mogelijkheid hadden gehad om een vordering tot herroeping in te stellen, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
- intentieovereenkomst van april 2008 tussen de gemeente en Brabanthuis, waaruit volgens hen onder meer blijkt dat Brabanthuis een inrichtingsplan voor het openbaar gebied zou maken en de inrichting en aanleg van het openbaar gebied zou uitvoeren overeenkomstig de door de gemeente goedgekeurde tekening (onder meer punten 2, 35, 66 en 70 van de dagvaarding van 18 juli 2017);
- tekening met tekeningomschrijving ‘Definitief ontwerp Nieuwe situatie en dwarsprofielen’ met tekeningnummer [tekening 1] d.d. 8 maart 2010 waaruit volgens hen volgt dat Brabanthuis al vóór het sluiten van de koopovereenkomst met [appellant 1] en [appellante 2] wist dat er voor de woning van [appellant 1] en [appellante 2] geen groenstrook maar een parkeerplaats zou worden gerealiseerd (onder meer punten 32, 34 en 63 van de dagvaarding van 18 juli 2017);
- realisatieovereenkomst van 10 november 2010 tussen Brabanthuis en de gemeente waaruit volgens hen volgt dat de aard en de aanleg van die parkeervakken voor rekening van Brabanthuis kwam (onder meer punten 10 en 66 van de dagvaarding van 18 juli 2017).
- de gemeente en Brabanthuis nauw met elkaar samenwerkten bij de inrichting van het openbaar gebied voor de woning en dat Brabanthuis daarop dus invloed had; en
- Brabanthuis ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van 9 april 2010 al wist dat het voornemen bestond om voor de woning geen groenstrook maar een parkeerplaats te realiseren.
- de gemeente en Brabanthuis nauw met elkaar samenwerkten bij de inrichting van het openbaar gebied voor de woning en dat Brabanthuis daarop dus invloed had; en
- Brabanthuis ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van 9 april 2010 al wist dat het voornemen bestond om voor de woning geen groenstrook maar een parkeerplaats te realiseren;
- de gemeente en Brabanthuis nauw met elkaar samenwerkten bij de inrichting van het openbaar gebied voor de woning en dat Brabanthuis daarop dus invloed had; en
- Brabanthuis ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van 9 april 2010 al wist dat het voornemen bestond om voor de woning geen groenstrook maar een parkeerplaats te realiseren.
- de gemeente en Brabanthuis nauw met elkaar samenwerkten bij de inrichting van het openbaar gebied voor de woning en dat Brabanthuis daarop dus invloed had; en
- Brabanthuis ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van 9 april 2010 al wist dat het voornemen bestond om voor de woning geen groenstrook maar een parkeerplaats te realiseren.
- het arrest van 29 september 2015 berust op bedrog door Brabanthuis in het geding gepleegd, in de zin van artikel 382 sub a Rv Pro;
- [appellant 1] en [appellante 2] na het arrest van 29 september 2015 stukken van beslissende aard in handen hebben gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden, in de zin van artikel 382 sub c Rv Pro.
4.De uitspraak
- het arrest van 29 september 2015 berust op bedrog door Brabanthuis in het geding gepleegd, in de zin van artikel 382 sub a Rv Pro;
- [appellant 1] en [appellante 2] na het arrest van 29 september 2015 stukken van beslissende aard in handen hebben gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden, in de zin van artikel 382 sub c Rv Pro;