ECLI:NL:GHSHE:2019:2880

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 juli 2019
Publicatiedatum
30 juli 2019
Zaaknummer
200.247.136_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 616 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging termijn zekerheidstelling proceskosten in civiele procedure

In deze civiele procedure tussen Industrial Projects Management of Iran (IPMI) en een Nederlandse vennootschap heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 30 juli 2019 beslist om de termijn voor zekerheidstelling voor proceskosten te verlengen. Eerder was IPMI bij arrest in het incident van 25 juni 2019 bevolen om uiterlijk 6 augustus 2019 zekerheid te stellen voor een bedrag van € 25.754,50.

IPMI verzocht op grond van artikel 616 lid 4 Rv Pro om een verlenging van deze termijn met zes weken, vanwege handelssancties en restricties die het betalingsverkeer vanuit Iran bemoeilijken. De geïntimeerde stelde zich niet op het standpunt van bezwaar tegen een verlenging van vier weken en liet het oordeel aan het hof over.

Het hof oordeelde dat het verzoek tijdig en gegrond was en verlengde de termijn tot 17 september 2019. Tevens werd een nieuwe datum vastgesteld voor het nemen van de memorie van grieven. De verdere beslissing in de hoofdzaak werd aangehouden.

Uitkomst: De termijn voor zekerheidstelling voor proceskosten wordt verlengd tot 17 september 2019, met niet-ontvankelijkheid bij niet-naleving.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.247.136/01

beschikking van 30 juli 2019

in de zaak van

Industrial Projects Management of Iran,

gevestigd te [vestigingsplaats] (Iran),
appellante in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna aan te duiden als: IPMI,
advocaat: mr. M.A. T Schroots te Rotterdam,
tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna aan te duiden als: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M. Littooij te Breda.
1. Het verzoek om termijnverlenging ex artikel 616 lid 4 Rv Pro en de beoordeling daarvan
1.1.
Bij arrest in het incident tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv Pro van 25 juni 2019 heeft het hof IPMI bevolen om op straffe van niet-ontvankelijkheid van IPMI in de hoofdzaak, uiterlijk op 6 augustus 2019 zekerheid te stellen voor een bedrag van € 25.754,50 voor de proceskosten waarin IPMI in deze zaak kan worden veroordeeld.
1.2.
Bij H16-formulier van 17 juli 2019 en het daarbij gevoegde faxbericht heeft IPMI op de voet van artikel 616 lid 4 Rv Pro verzocht om verlenging van de termijn tot het stellen van zekerheid met zes weken na 6 augustus 2019, althans met vier weken, althans met een in goede justitie te bepalen termijn. Kort gezegd heeft zij daartoe aangevoerd dat het door handelssancties en restricties voor IPMI, als zijnde gevestigd in Iran, complex en tijdrovend is om betalingen te verrichten aan partijen in bijvoorbeeld Nederland en dus ook om ervoor te zorgen dat het geld tijdig op de kwaliteitsrekening van de notaris is bijgeschreven.
1.3.
Bij H16 formulier van 18 juli 2019 heeft [geïntimeerde] laten weten dat zij zich niet verzet tegen een verlenging van de termijn met vier weken en dat zij zich te dien aanzien refereert aan het oordeel van het hof.
1.4.
Het hof stelt vast dat het verzoek tijdig is gedaan aangezien het is ingediend voordat de in het arrest bepaalde termijn is verstreken. Omdat het verzoek van IPMI op goede gronden is gedaan en [geïntimeerde] geen bezwaren naar voren heeft gebracht tegen het (primair) verzochte uitstel van zes weken, zal het verzoek van IPMI worden ingewilligd. Het hof zal de termijn waarbinnen IPMI zekerheid moet stellen verlengen met zes weken na 6 augustus 2019, derhalve tot 17 september 2019. Als gevolg van deze verlenging van de termijn zal ook een nieuwe datum worden bepaald voor het nemen van de memorie van grieven.
1.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
2. De beslissing
Het hof:
verlengt de termijn waarbinnen IPMI de bij het arrest in het incident van 25 juni 2019 aan haar opgelegde zekerheid moet hebben gesteld met zes weken na 6 augustus 2019 en bepaalt dat IPMI derhalve uiterlijk op 17 september 2019 deze zekerheid moet hebben gesteld op straffe van niet-ontvankelijkheid van IPMI in de hoofdzaak, waarna [geïntimeerde] binnen twee weken de gestelde zekerheid dient te accepteren of te weigeren;
verwijst de hoofdzaak naar de rol van 1 oktober 2019 voor memorie van grieven, ambtshalve peremptoir;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, A.J. Henzen en E.H. Schulten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 juli 2019.
griffier rolraadsheer