Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit twee besloten vennootschappen, heeft uitzendkrachten in dienst die zich via belanghebbende kunnen aanmelden bij een zorgverzekeraar voor een zorgverzekering. Belanghebbende houdt de premie in op het nettoloon van de uitzendkracht en betaalt deze verminderd met een collectiviteitskorting door aan de zorgverzekeraar. De uitzendkrachten zijn niet op de hoogte dat belanghebbende de korting behoudt.
De Inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op wegens het niet doorbetalen van de volledige premie aan de zorgverzekeraar. Belanghebbende stelde dat de korting geen vergoeding voor een dienst is en dat de vrijstelling voor assurantiemakelaars van toepassing is. De Rechtbank vernietigde de boetebeschikking maar wees het beroep verder af.
In hoger beroep bevestigt het Hof dat de collectiviteitskorting een vergoeding is voor de door belanghebbende verrichte diensten, namelijk het afsluiten van de zorgverzekering, het inhouden van de premie en het doorbetalen aan de zorgverzekeraar. De vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet OB 1968 is niet van toepassing omdat belanghebbende niet optreedt als assurantiemakelaar of verzekeringstussenpersoon. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en wijst de overige vorderingen af.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting en oordeelt dat de collectiviteitskorting een vergoeding voor een dienst is en dat de vrijstelling niet van toepassing is.