De zaak betreft het hoger beroep van belanghebbende tegen een aanslag erfbelasting na het overlijden van zijn vader in 2010. De Inspecteur had de waarde van landbouwgronden en aandelen in een holding hoger vastgesteld dan belanghebbende en paste de bedrijfopvolgingsfaciliteit (BOF) gedeeltelijk toe. De rechtbank had de aanslag verminderd, maar het hof vernietigt deze uitspraak.
Het hof oordeelt dat de Inspecteur de waarde van landbouwgronden aannemelijk heeft gemaakt door te wijzen op de nog bestaande projectontwikkelingsplannen en een verwachtingswaarde. De waarde van de aandelen in de holding wordt in goede justitie vastgesteld omdat geen partij een aannemelijke waardering heeft geleverd. De waarde van de bloot eigendom van percelen grond wordt door het hof lager vastgesteld dan door de Inspecteur voorgesteld.
Verder concludeert het hof dat de BOF niet van toepassing is op de landbouwgronden omdat deze binnen vijf jaar na overlijden zijn verkocht, wat een staking van een zelfstandig deel van de onderneming inhoudt. Het vertrouwensbeginsel wordt niet aangenomen omdat belanghebbende dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Het hof vermindert de aanslag tot een belaste verkrijging van €7.317.085 met een BOF van €5.210.751 en veroordeelt de Inspecteur in proceskosten en griffierecht.