Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
- de deelneming in [FF] B.V. ter waarde van € 710.620;
- de landbouwgronden ten bedrage van € 2.050.000, omdat die binnen vijf jaar na overlijden zijn verkocht;
- de langlopende vorderingen ten bedrage van € 4.231.001. Dat zijn tot een bedrag van € 3.881.001 leningen aan erflater en familieleden zonder aflossingsverplichtingen en tot een bedrag van € 350.000 leningen aan derden, af te lossen uiterlijk in 2011. Omdat ter financiering van deze geldverstrekkingen € 3.400.000 door de vennootschappen was ingeleend van de bank, is dat bedrag aan vorderingen per saldo toch niet als beleggingsvermogen aangemerkt;
- vorderingen op participanten (erflater en zijn zonen) (na aftrek vordering [G] B.V.) ten bedrage van € 741.700;
- liquide middelen ten bedrage van € 1.597.540.
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep van belanghebbende gegrond;
- verklaart het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten;
- verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;
- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belaste verkrijging van € 7.317.085 vóór toepassing van de BOF ten bedrage van € 5.210.751;
- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;
- gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 124 vergoedt; en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.536.