ECLI:NL:GHSHE:2018:680
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-eigenwoningstatus door terbeschikkingstelling aan derde volgens Wet inkomstenbelasting 2001
Belanghebbende, een diplomaat uitgezonden naar het buitenland, stelde zijn woning in Nederland ter beschikking aan zijn neef die daar regelmatig verbleef vanwege studie. De inspecteur kwalificeerde de woning daarom niet langer als eigen woning voor de jaren 2010 tot en met 2012. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.
In hoger beroep bevestigde het hof dat de woning aan een derde ter beschikking was gesteld, omdat de neef niet tot het huishouden van belanghebbende behoorde en regelmatig gebruik maakte van de woning. Dit is in strijd met artikel 3.111 lid 6 onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals ook bevestigd door de Hoge Raad in een eerder arrest. Het feit dat geen huur werd gevraagd en belanghebbende zelf de woning bij tijdelijk verblijf gebruikte, deed hieraan niet af.
Het hof oordeelde dat de familiegunst financieel nadelig uitpakt voor belanghebbende, maar dat dit geen reden is om af te wijken van de wettelijke regels. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de woning wordt niet als eigen woning aangemerkt vanwege ter beschikking stellen aan een derde.