Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[verdachte] ,
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis eveneens hoger beroep ingesteld.
zo begrijpt het hof) op gewezen dat door het niet kunnen onderzoeken van voormelde zaken, kaak en kleding, de verdediging is gehinderd in het naar voren brengen van een alternatief scenario met betrekking tot een mogelijke andere dader. Het hof stelt evenwel vast dat de verdediging het alternatieve scenario -naar aanleiding van het wel verrichte (uitgebreide DNA-)onderzoek- gemotiveerd naar voren heeft gebracht, namelijk op grond van de volgens de verdediging naar andere personen wijzende onderzoeksresultaten.
hij op of omstreeks 6 oktober 1995, althans in of omstreeks de periode van 6 oktober 1995 tot en met 22 november 1995 te Eindhoven, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)
hij op of omstreeks 6 oktober 1995, althans in of omstreeks de periode van 6 oktober 1995 tot en met 22 november 1995 te Eindhoven en/of te Lierop, gemeente Someren, in elk geval in Nederland, opzettelijk N. van den Hurk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen, althans eenmaal, (met) een mes, in elk geval (met) een scherp voorwerp, in het lichaam van voornoemde Van den Hurk gestoken en/of gebracht en/of gehouden en/of al dan niet met gebruikmaking van een voorwerp, op en/of tegen het hoofd van die Van den Hurk geslagen/gestompt, en/of een of meer (andere) vormen van geweld en/of (andere) geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die Van den Hurk en/of tegen die Van den Hurk toegepast/uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde Van den Hurk is overleden.
hof: de moeder van [naam vriend]) heeft op 5 maart 2014 verklaard (Proforma dossier map 1, pag. 175-176):
hof: 5 oktober 1995) bij haar thuis is geweest samen met [naam vriend] ;
hof: de oma van Nicole) kwam en vertelde dat Nicole niet op haar werk gekomen was;
hof: verder NFI) d.d. 15 juli 2011 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 12) van prof. dr. A.D. Kloosterman, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, ingeschreven als gerechtelijk deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (hof: verder NRGD) voor het deskundigheidsgebied DNA analyse en interpretatie, is vermeld dat:
(hof: deze deskundige is nadien drs. J. Koopman genaamd, derhalve zijn Klaver en Koopman dezelfde persoon), NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (en ingeschreven in het NRGD voor het deskundigengebied DNA-analyse en interpretatie), de wetenschappelijke bewijswaarde bepaald van de resultaten van vergelijkend DNA-onderzoek voor de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes van het slachtoffer en AUA106#02 van de slip van het slachtoffer N. van den Hurk (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 62). Daarbij zijn de DNA-profielen betrokken van verdachte, [naam vriend] (de vriend van N. van den Hurk) en het slachtoffer N. van den Hurk. Aan de hand van hypotheses heeft het NFI beschreven dat de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering van de slip celmateriaal van verdachte betreft, dan als de bemonstering geen celmateriaal van verdachte bevat. Ten aanzien van de twee bemonsteringen van de anus is dit zeer veel waarschijnlijker.
hof: voor het desbetreffende delict, te weten de verkrachting van [slachtoffer x] , is verdachte bij vonnis van 18 januari 2001 veroordeeld tot o.a. Terbeschikkingstelling (TBS)
met bevel tot verpleging.
hof: en werd) gehanteerd. Er is evident sprake van een B-cluster persoonlijkheidsstoornis, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline- en narcistische trekken, en verslavingsproblematiek.
- dat zij een rol had in de fase dat er nog geen verdachte in beeld was;
- dat het NFI van het nog aanwezige sporenmateriaal met behulp van nieuwe technieken nieuwe profielen heeft gemaakt;
- (hof: naar aanleiding van de vraag van de raadsman hoeveel kenmerken zijn vastgesteld in het spoor van de anus)dat dat niet uitmaakt voor het vaststellen van de bewijskracht van een gevonden overeenkomst, dat het gaat om de statistische evaluatie, die is uitgevoerd door collega Klaver;
- dat niet de aantallen kenmerken bepalend zijn, maar het complex aan aantallen kenmerken die overeenkomen, die niet overeenkomen, de zeldzaamheid daarvan, het aantal donoren, de kans op een bepaald soort artefacten, drop-ins, drop-outs, stotterpieken etcetera;
- dat dit tegenwoordig in de nieuwste generatie statistische modellen, die het NFI toepast sinds 2012, zit en dat sinds 2013 of 2014 die methode standaard is bij complexe DNA-mengprofielen;
- dat het NFI een geaccrediteerd instituut is;
- dat in dit geval, en dat zal altijd zo zijn, interpretatie van de resultaten plaatsvindt door een deskundige op basis van diens expertise;
- dat met de statistische tools de ‘human factor’ wel wordt geminimaliseerd;
- dat zij in haar rapport van 18 december 2012 een beschrijving geeft op basis van de LCN profielen, waarin alle drop-ins en drop-outs etc. voorkomen
- dat onderzoek een aantal malen wordt herhaald om een zo compleet en betrouwbaar mogelijk beeld te krijgen, wat het NFI het consensus profiel noemt;
- dat het gaat om de beschrijving van de overeenkomsten en de verschillen;
- dat de waarde pas kan worden bepaald aan de hand van het daarop volgende statistische onderzoek, waarbij twee hypothesen het uitgangspunt vormen;
- dat zij een dergelijke duidelijke indicatie bij geen van de andere vergeleken personen heeft aangetroffen, met uitzondering van de vriend van het slachtoffer;
- dat mevrouw Klaver de door De Blaeij verkregen DNA-profielen als input heeft gebruikt en alle informatie tot haar beschikking had.
- dat zij bij haar onderzoek wist dat er een verdachte in beeld was, anders kan zij dat onderzoek niet doen;
- dat er statistisch gezien geen verschil is indien een verdachte in beeld komt via tactisch onderzoek, dan wel via een DNA-databank match;
- dat op de vraag bij hoeveel DNA-kenmerken je van een volledig profiel kunt spreken het antwoord is dat dat wisselt omdat elke persoon twee kenmerken krijgt van de vader en van de moeder en die kunnen elkaar op de 15 plekken waar naar wordt gekeken, overlappen;
- dat er wordt uitgegaan van volledigheid als er 25 tot 30 kenmerken zichtbaar zijn waarbij dan wel de hoogte van de pieken in aanmerking moet worden genomen;
- dat zij een diagram toont dat de samenvatting behelst van drie individuele analyses op het spoor AUA106#02SF
- dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van meer dan drie personen;
- dat de standaardanalyses nauwelijks pieken lieten zien en daarom een LCN techniek is gebruikt;
- dat er in dit geval drie keer een analyse is gedaan uit hetzelfde bronmateriaal, omdat zij vinden dat ze in hun werkwijze beter kunnen inschatten wat de kans is dat pieken wegvallen;
- dat al haar onderzoeken door minimaal 1 andere deskundige worden gecontroleerd;
- dat haar rapporten van 13 september 2013 en 1 oktober 2013
- dat bij de eerste rapporten discussie is geweest over de aanwezigheid van (wel of niet) een derde persoon;
- dat zij (de deskundige) uiteindelijk een combinatie van pieken in een spoor en in een referentiemonster heeft en die vormen voor haar haar statistische model;
- dat het NFI een model hanteert dat gebruik maakt van de aanwezigheid of afwezigheid van pieken;
- dat het NFI sinds 2012 werkt met hetzelfde model, dat daarover ook is gepubliceerd in een internationaal tijdschrift en dat het model gevalideerd is en zij daar zelf bij betrokken is;
- dat bij validatie wordt gekeken of het programma technisch doet wat het moet doen en daarvoor wordt gecontroleerd op programmeursfouten. Verder is sprake van het gebruik van parameters die moeten worden ingevoerd, het invoeren van het aantal donoren en van de kans op het wegvallen van allelen. Het gaat dan om het inzicht in de gevolgen van het verkeerd invoeren van de parameterwaardes. In verband daarmee is een richtlijn tot stand gekomen betreffende het maximaal aantal mismatches bij een x aantal donoren;
- dat de hele interpretatie niet geaccrediteerd is;
- dat, gevraagd naar de toegevoegde waarde van accreditatie, dit niets zegt over de betrouwbaarheid van de techniek maar alleen iets over de wijze waarop je als organisatie de procedures volgt om de techniek correct toe te passen;
- dat het NFI niet beschikt over een piekhoogtemodel;
- dat in de onderhavige zaak een piekhoogtemodel ook niet van toegevoegde waarde zou zijn;
- dat het NFI er voor heeft gekozen zelf een model te ontwikkelen, dat het voordeel daarvan is dat je begrijpt wat er gebeurt en het NFI wil weten waar een model wel of niet betrouwbaar is;
- dat in de bemonsteringen drie persoonsprofielen zaten;
- dat als alle pieken verklaard zijn met betrekking tot het profiel van [naam vriend] en dat van verdachte, een aantal pieken over blijft;
- dat in de lijn van de verwachting ligt dat die dan het slachtoffer betreffen maar daar heeft het NFI geen steun voor kunnen vinden, althans het is niet goed mogelijk om over de aan- of afwezigheid van cellen van het slachtoffer een eenduidige uitspraak te doen;
- dat los van de context je die overblijvende pieken zou kunnen toedichten aan hetzij het slachtoffer, aan artefacten, aan contaminatie of aan samenstellingen daarvan;
- dat contaminatie nooit is uit te sluiten;
- dat ze werken onder de richtlijnen van de International Society of Forensic Genetics.
- Er wordt altijd eerst een standaard DNA-onderzoek gedaan met de NGM-kit, waarbij het NFI altijd kijkt naar de 15 loci op het DNA. Als er zo weinig DNA in het monster zit, is die techniek niet geëigend en dan kan de LCN (
- Een DNA-profiel wordt grafisch weergegeven met piekenprofielen. Onder elke piek staat een getal. Dat doet het programma (pag. 47).
- Als er weinig DNA in de bemonstering aanwezig is, dan is te verwachten dat niet alle DNA-kenmerken van de donoren zichtbaar zijn in het DNA-profiel. Soms wordt een piek gezien en soms niet. Daarom worden verschillende keren DNA-profielen gemaakt. Omdat er zo weinig DNA is en door de gebruikte techniek is het normaal dat niet elk resultaat hetzelfde DNA-profiel oplevert (pag. 48).
- Het lichaam van het slachtoffer is zes weken na haar verdwijning aangetroffen. Het verbaast niet dat het DNA erg beschadigd was. Er zijn monsters genomen van het lichaam van het slachtoffer zelf, waar haar DNA zelf niet in kon worden teruggevonden. Dat zegt wel iets over hoe gedegenereerd het was. Het is heel bijzonder om na zo een lange periode überhaupt nog DNA aan te treffen waarvan na onderzoek nog goede resultaten kunnen worden verkregen. Het verbaast mij niet dat er geen enkelvoudige profielen vervaardigd zijn kunnen worden, ondanks dat er spermacellen zijn waargenomen (pag. 48).
- Voor de onderhavige sporen is de scheiding (lysisfractie) toegepast (pag. 49).
- Als IFS andere kits heeft gebruikt, dan is het logisch dat zij naar andere plaatsen op het DNA heeft gekeken. Er zal ook overlap zijn (pag. 50).
- Er zijn inderdaad andere resultaten
- Hoe meer loci op het DNA worden onderzocht, hier robuuster de bewijskracht berekend kan worden (pag. 51).
- Het NFI is wat stringenter voor wat betreft de vraag wanneer zij iets geschikt acht voor vergelijkend DNA onderzoek. Het wordt pas geschikt gevonden daarvoor als er een bewijskracht aan kan worden gegeven. Immers een piek heeft alleen een meerwaarde als de bewijskracht daarvan op betrouwbare wijze kan worden berekend. Bij profielen met veel ‘allelic drop-out’ kan dat niet betrouwbaar worden berekend. Omdat die bewijskracht niet betrouwbaar kan worden berekend, vinden we het niet geschikt om te betrekken bij vergelijkend DNA-onderzoek (pag. 52).
- Als ik verwacht dat er veel ‘allelic drop-out’ zal zijn, dan laat ik ook meer ‘allelic drop-out’ toe. Het is geen willekeur, zoals de raadsman stelt. Voordat ik een DNA-profiel ga vergelijken, maak ik een inschatting van wat ik zal gaan zien. Als het bijvoorbeeld een DNA-profiel betreft, waarin weinig DNA zit, dan verwacht ik, ook als ik het DNA-profiel van de donor er naast leg, niet dat ik al de kenmerken van die donor terug zal zien. Het is dus wel een subjectieve aanname. In de onderhavige profielen zit zo weinig DNA, dat ik verwacht dat ik pieken mis (pag. 58).
- Vooraf schatten we het aantal donoren in op basis van het aantal pieken die we zien. Op basis van piekhoogte kunnen we een inschatting maken of er een reële kans is dat we pieken niet zien. Zelfs als we op lange stukken DNA een bepaalde piekhoogte zien, dan schatten we de kans dat we nog pieken missen van die persoon laag in. Op basis van het DNA-profiel maken we die inschatting. Dan halen we nog geen referentieprofiel van de betreffende persoon erbij. Ik kijk naar de piekenprofielen en op basis daarvan maken we een verbale beschouwing van het profiel. Het wordt vastgelegd in het dossier en er wordt door een andere deskundige naar gekeken (pag. 59).
- De beginvaststelling heeft invloed op de uiteindelijke resultaten. We berekenen alle mogelijkheden en we rapporteren de meest conservatieve waardes voor de bewijskracht. We rapporteren alleen de veilige ondergrens (pag. 59-60).
- Ik ben nauw betrokken geweest bij het ontwikkelen van het statistische model dat het NFI gebruikt. Dit programma heette toen de rapporten werden opgemaakt LR-Mix en nu LR-Studio. Ons programma is veel simpeler dan TrueAllele. Het neemt namelijk alleen mee of er een piek er wel is of niet. TrueAllele neemt ook de piekhoogte mee. De hoogte van de piek geeft aan hoeveel DNA er in zit. De bewijskracht die TrueAllele kan leveren is hoger dan de bewijskracht die het programma van het NFI kan leveren, maar alleen als de piekhoogte daadwerkelijk iets zegt in het mengprofiel. In een LCN-spoor geeft een piekhoogte niet meer zoveel informatie. Het kan zijn dat bij de ene keer een piek hoog is en bij de andere keer de piek niet eens wordt waargenomen. De hoogte van de piek is geen echt betrouwbare informatie (pag. 60).
- De LR
- Extreem veel waarschijnlijker is een miljoen of meer (pag. 61).
- Voordat we een verwachting hebben uitgesproken waar de ‘allelic drop-out’ zal plaatsvinden, weten we welke datapunten voor ons relevant zijn (pag. 61).
- De noodzaak om de software te ontwikkelen was gelegen in het feit dat het NFI van heel veel profielen de bewijskracht niet kon berekenen. We hebben gekeken hoe we het model nog beter kunnen maken. Voor ons gevoel zijn het de puntjes op de ‘i’, maar voor de bewijskracht levert het nauwelijks meer op, omdat we in de meeste gevallen al in de hoogste categorie bewijskracht uitkomen die we nu gedefinieerd hebben (pag. 62).
- Het stoffelijk overschot lag er al zes weken en de wijze waarop toen werd bemonsterd moet goed in ogenschouw worden genomen. De lichaamsdelen staan allemaal in nauw contact met elkaar. Er waren toen ook andere bemonsteringstechnieken (pag. 69).
- (Hof: In antwoord op de vraag van de raadsvrouw mr. Van der Hut of de sporen uit de anale bemonstering eigenlijk afkomstig kunnen zijn uit de vagina, maar vanwege decompositie van het lichaam uiteindelijk in de anale bemonstering zijn aangetroffen)Dit zou mogelijk kunnen zijn. Ik zeg dit vanuit mijn algemene kennis dat beide lichaamsopeningen in contact staan met de slip en dat in beide bemonsteringen van de slip spermacellen zijn aangetroffen en ik zeg dit ook op basis van kennis over de wijze van bemonstering, dat het minder nauwkeurig er aan toe ging (pag. 69).
- Ik zou het liever bij seksueel contact houden, kijkend naar de zes weken buiten en de afhankelijkheid van de sporen (pag. 70).
- Toen ik bezig was met het ontwikkelen van de software, heb ik mij veel verdiept in piekhoogtemodellen. Ik heb kennis van de achtergrond van die modellen. Piekhoogte informatie meenemen in de modellen vind ik een goed idee, maar alleen als die piekhoogte daadwerkelijk relevant is (pag. 75).
- Ik ben het niet eens met Eikelenboom dat het aannemen van ‘allelic drop-out’
- Ook het ontbreken van DNA-kenmerken heeft een waarde. Niet gezegd kan worden dat aangenomen wordt dat er twee kenmerken ontbreken en dat dan voor de rest van de DNA-kenmerken een matchkans wordt berekend. Dat is heel erg in het nadeel van de verdachte. Matchende pieken geven steun aan de hypothese dat verdachte donor kan zijn, maar ontbrekende pieken geven steun aan de andere hypotheses. Daarom is het juist van belang om die ontbrekende pieken mee te wegen in de berekening. En dat doen beide programma’s (pag. 83).
- Samenvoegen van de tabellen van de DNA-profielen van spoor AUA106#02 van respectievelijk het NFI en IFS is zeker mogelijk, maar in dit specifieke geval is het lastig om te combineren. Bovendien heeft het NFI op basis van de resultaten van het NFI al de hoogste bewijskracht gerapporteerd bij dit spoor. Het enige wat ik wel kan zeggen is dat het nog meer steun biedt voor de hypothese dat verdachte één van de donoren is, maar het NFI zal niet tot een hogere bewijskracht komen, omdat we al in de hoogste bewijskrachtcategorie zitten (pag. 92).
- Er is sprake van ‘allelic drop-out’, dat is gebleken (pag. 95)
- Er hoeft niet van tevoren gezegd te worden dat een bepaalde piek een ‘allelic drop-out’ is. Er wordt door het NFI slechts een inschatting gemaakt van de kans dat ‘allelic drop-out’ zal plaatsvinden en vervolgens wordt daarmee de kans op een DNA-profiel berekend (pag. 95).
- Drop-in is een piek die niet is toe te schrijven aan een donor. Het kan een in gedwarrelde piek zijn of een stotter. We weten dat het bij LCN-profielen niet meer dan 10% is. Drop-in corrigeert voor alle pieken die we niet willen toeschrijven aan een donor (pag. 100).
- In het verleden hebben we altijd gekeken naar enkelvoudige DNA profielen met een bewijswaarde groter dan een miljard en nu kijken we naar een complex mengprofiel waaraan toch zo’n grote bewijswaarde kan worden gekoppeld. Het is goed om te beseffen dat de bewijskracht van een enkelvoudig profiel een bewijskracht heeft van 10 tot de 22ste. Zoveel informatie zit er in een enkelvoudig profiel. We hebben thans een complex mengprofiel. Als we 9 nullen van dit immense getal halen, dus een miljard aan bewijskracht verliezen, dan is de bewijskracht nog steeds groter dan 1 op 1 miljard en dus zitten we dan nog steeds in de hoogste verbale schaal (pag. 100-101).
- De drie sporen komen allemaal bij elkaar in de buurt. De vraag die beantwoord moet worden is of het celmateriaal van verdachte is. Het maakt niet uit of één, twee of drie keer in de hoogste categorie van waarschijnlijkheid wordt uitgekomen. De waarschijnlijkheidsgraden moeten niet met elkaar verbonden worden. Voor mij zou één keer de hoogste waarschijnlijkheidsgraad voldoende zijn (pag. 103).
- NFI-onderzoeken zijn allemaal op bronniveau. De vraag hoe het materiaal er is gekomen, is niet door het NFI beantwoord (pag. 104).
- Er komt één getal uit voor alle drie replica’s gezamenlijk. Ik kan de puntschatting en sensitiviteitsanalyse geven. Gekeken wordt dan hoe gevoelig de waarde is voor de aanname van ‘allelic drop-out’ (pag. 114).
- Per spoor wordt de meest conservatieve waarde gegeven. De ondergrens die het NFI geeft is ook echt de ondergrens. De bewijswaarde ligt dus in ieder geval hoger (pag. 114).
- Er is een tand onder het stoffelijk overschot aangetroffen en bemonsterd. Er ontbrak ook een tand. Het idee was dat er mogelijk aanraaksporen op die tand aanwezig zouden kunnen zijn. Dat onderzoek heeft echter niets opgeleverd. Op de tand is zelfs het DNA-profiel van het slachtoffer niet meer aangetroffen (pag. 109).
- IFS maakt gebruik van de MiniFiler-kit en Identifiler Plus-kit (pag. 46). De Identifiler-kit onderzoekt een paar verschillende locaties vergeleken met de NGM-kit. Het verkrijgt dus iets andere resultaten. Ook worden veel dezelfde locaties onderzocht (pag. 47).
- Bij minimale sporen en zeker bij complexe mengsels kan je vooraf verwachten dat ‘allelic drop-out’ optreedt bij donoren. Sperma is normaal gesproken een zeer goede bron van DNA. Dat is anders bij aanraaksporen. Er zijn spermakoppen waargenomen in de preparaten. Er heeft decompositie plaatsgevonden van het lichaam. De spermakoppen zijn microscopisch waargenomen door mijzelf en het NFI. Als deze nog intact zijn dan blijft het DNA in die kop ook redelijk intact (pag. 48)
- Ik heb in 1995 onderzoek verricht aan deze zaak bij het NFI. Ik heb de spermakoppen met eigen ogen gezien destijds. Ik heb in 1995 sporenonderzoek verricht op de Afdeling Biologie (toen nog Serologie). Deze afdeling is de huidige DNA afdeling. Ik geloof dat ik de sporen op de slip en de anus heb veiliggesteld. Ik heb de gegevens van mijn waarnemingen in 1995 en van de foto’s die later door het NFI zijn genomen gecombineerd (pag. 50).
- In deze zaak zijn niet heel veel spermakoppen aangetroffen en afbraak en decompositie hebben een rol gespeeld. Hierdoor neemt de kans op ‘allelic drop-out’ wel toe (pag. 50).
- Het contra-onderzoek staat in beginsel los van het onderzoek van het NFI. De rechtbank heeft wel gelijk, dat de resultaten gecombineerd kunnen worden. Er zijn drie sporen: twee van de anus en één van de slip. Het NFI heeft per spoor 10 tot 15 profielen vervaardigd en het IFS ook 10. Er zijn dus 25 profielen van één spoor gemaakt. Geen enkel profiel is hetzelfde. In deze zaak zijn extreem complexe mengprofielen verkregen waaraan minimaal drie donoren hebben bijgedragen (pag. 51).
- Het NFI neemt dan een consensusprofiel, waarbij een aantal resultaten bij elkaar worden genomen. IFS gebruikt een composietprofiel, waarbij alle resultaten die zijn verkregen in het profiel worden gebruikt (pag. 51).
- Een artefact is bijvoorbeeld een luchtbelletje. Dat kan een piek veroorzaken, terwijl het geen piek is. De computer vergist zich daar soms in en een deskundige kan dat herkennen (pag. 51).
- Het NFI is van oordeel dat een piek alleen een meerwaarde heeft als de bewijswaarde daarvan op een betrouwbare wijze kan worden berekend en het NFI vindt dat dat bij profielen met veel ‘allelic drop-out’ niet betrouwbaar kan worden berekend. IFS kijkt daar anders tegenaan. Als pieken niet overeenkomen met een verdachte, dan zijn ze per definitie ontlastend (pag. 52).
- Het aannemen van ‘allelic drop-out’ kan in het nadeel van een verdachte zijn (pag. 58).
- In de stringente lysisfractie kunnen wel eens niet-spermacellen aanwezig zijn, omdat die dan doorlekken. Je kunt dan wel zien dat er sperma gedoneerd is geweest, maar niet door wie (pag. 69).
- In 1995 werkte ik nog bij het NFI. Ik ben zelf bij het sporenonderzoek betrokken geweest. Dat er sperma vanuit de vagina naar de anus is gebracht bij de bemonsteringen is regelmatig voorgekomen. Mijn conclusie geldt echter nog steeds. Als de bemonsteringen juist zijn genomen, zou je dit sporenbeeld verwachten bij anale seks (pag. 70).
- Het NFI en IFS onderzoeken niet dezelfde loci. Beiden onderzoeken wel 15 loci (pag. 94).
- Ik ben het eens met deskundige Koopman dat er sprake is van ‘allelic drop-out’ (pag. 95).
- Ik kan de onderliggende getallen presenteren, omdat we nu met een verbeterde versie van het programma werken, MixCal. Er is een verbeterde versie van het programma LRmix, dat zelf de drop-out-kansen berekend. Het programma is echter nog niet gevalideerd en gepubliceerd (pag. 25).
- (Hof: Mededeling oudste rechter: de deskundige Koopman kan twee getallen geven, aan elke kant van de drop-out range en daarnaast een puntschatting)Ik kan inzicht verschaffen in de getallen en ik zal ook de puntschatting geven (pag. 26).
- Ik heb de cijfers, maar ik maak hierbij een kanttekening. Als de cijfers de status van een NFI-deskundigenrapport krijgen, dan verlang ik dat deze eerst geschaduwd worden door een tweede NFI-deskundige (pag. 27).
- Er wordt om een puntschatting verzocht in plaats van ranges. Het verandert niets aan de resultaten ten aanzien van spoor 02SF (pag. 36).
- Iedere replica/vermeerderingsprocedure levert een ander resultaat op. Als het slechte kwaliteit is, dan kan de bewijswaarde omlaag gaan, maar als er bijvoorbeeld extra allelen worden aangetroffen, die niet in de andere profielen zijn aangetroffen en die met de verdachte matchen, dan kan de bewijswaarde omhoog gaan (pag. 12).
- Koopman en ik hebben geen twijfel over het aantal donoren. Wij gaan beiden uit van drie donoren. In ons onderzoek hebben we andere DNA-kits gebruikt. Als we de delen die overeenkomen over elkaar leggen, dan zien we ook op meerdere locaties vijf kenmerken (pag. 18).
- Ten behoeve van het contra-onderzoek heeft het NFI de stukken van overtuiging bewerkt en verstrekt aan IFS (pag. 46).
- De piekenprofielen die het NFI heeft vervaardigd zijn verstrekt aan IFS (pag. 47).
- Een klein beetje vermindering van kwaliteit van het DNA, bijvoorbeeld door tijdsverloop, kan het verschil in resultaten verklaren (pag. 55).
- Dezelfde resultaten van TrueAllele kunnen verwacht worden, mits alle vier replica’s per spoor zijn doorgerekend (pag. 62).
- Gebruik maken van een programma dat gebruik maakt van piekhoogte informatie is alleen relevant als de piekhoogte daadwerkelijk iets zegt. Ik maak me zorgen dat in de berekening van TrueAllele de piekhoogte als relevant is aangeduid, terwijl hij dat niet is. Dat blijkt uit de verschillende replica’s. Als er door TrueAllele slechts één replica gebruikt wordt en daarop wordt de bewijskracht berekend, dan kan het programma niet zien dat de piekhoogte niet betrouwbaar is. Als TrueAllele alle replica’s gezamenlijk kan beoordelen, maak ik mij geen zorgen, want ik weet dat het een goed programma is (pag. 63).
- Op basis van korte lezing van het rapport van IFS denk ik dat TrueAllele telkens maar één replica berekend heeft en dan kan het misgaan (pag. 63-64).
- Als er maar één replica is gebruikt, dat is dat een derde of een kwart van alle data. Als maar één replica wordt gebruikt, dan worden veel data gemist en is de verwachting dat uit de data veel minder bewijskracht wordt gehaald dan wanneer alles gezamenlijk wordt betrokken (pag. 72).
- Destijds is geprobeerd om alle individuele ‘samples’ bij elkaar te voegen en daarvan een DNA-profiel te maken. Dat noemt het NFI een poolprofiel. Het NFI heeft daar in de berekeningen niets mee gedaan, want het staat niet onafhankelijk van de vier replica’s. Het is namelijk samengevoegd. Het NFI heeft met het poolprofiel niets gedaan in de bewijswaarde (pag. 73).
- Ik heb het poolprofiel niet gebruikt voor mijn berekening en TrueAllele kennelijk wel. Dat verklaart mogelijk waarom er een verschil is in de resultaten (pag. 74).
- TrueAllele heeft het poolprofiel gebruikt en ik drie replica’s. Er is dus een verschil van input en dat kan het verschil in output verklaren (pag. 75).
- In het verleden dachten we dat het bij elkaar voegen van resultaten van afzonderlijke replica’s en het daarvan opnieuw een profiel maken, mogelijk een meerwaarde had. Het leverde echter niet bijzonder veel meer informatie op en voor een statistische berekening kon het niet worden gebruikt, want daarvoor zijn juist die individuele replica’s van belang. Het poolprofiel kan eigenlijk worden gezien als een samenvatting van de rest.
- De meerwaarde is om de verschillende replica’s samen te voegen, omdat je dan kan meenemen dat in sommige replica’s bepaalde pieken maar één keer zichtbaar zijn en andere pieken in elke replica terugkomen. Juist dat is de informatie die waardevol is in deze analyse en die informatie mis je als je maar één replica bekijkt (pag. 76).
- Naar aanleiding van wat gisteren (
- Het aantal replica’s verschilt per spoor. Ik heb voor AUA106 drie replica’s gebruikt en voor de andere sporen (AWA059) vier replica’s (pag. 98).
- Het is van belang om zoveel mogelijk informatie mee te nemen. Om die reden neemt het NFI de resultaten van de drie replica’s gezamenlijk mee in de berekening. Als maar één replica meegenomen wordt, dan zakt ook de bewijskracht met de methode die het NFI hanteert. Ik verwacht dat de piekhoogte informatie in de TrueAllele-berekening wordt meegenomen. Gisteren
- De pool is eigenlijk weer een nieuw enkelvoudig DNA-profiel van een ‘gepoold’ extract. Het zijn dus niet de drie afzonderlijke replica’s die worden meegenomen in één statistische berekening. Het is als het ware een vierde replica en op die ene replica is de berekening gemaakt. Daar zit piekhoogte-informatie in die ook meegenomen wordt in de statistische berekening die TrueAllele uitvoert. Als TrueAllele alle verschillende profielen in één berekening zou kunnen meenemen, dan zou het programma kunnen zien dat in de ene replica de ene piek hoog scoort en in de andere replica de andere piek, en dan zou dat gecorrigeerd kunnen worden (pag. 98).
- Eén replica gebruiken in plaats van de hele dataset, en daarnaast de piekhoogte meenemen, is onbetrouwbaar (pag. 99)
- Het computerprogramma TrueAllele kan niet meerdere replica’s tegelijkertijd analyseren. StarMix
- Het materiaal voor contra-onderzoek is aan IFS verstrekt. Het NFI heeft aan IFS de extracten van de DNA-monsters verstrekt (pag. 45).
- IFS heeft uit de contra-extracten ook zelf profielen vervaardigd (pag. 47).
- Wat aan TrueAllele is gestuurd, betroffen niet de profielen van IFS, maar de profielen van het NFI. IFS heeft de profielen van het NFI verstrekt aan TrueAllele en daarmee laten rekenen (pag. 53).
- (Hof: In antwoord op de vraag of hetgeen IFS zelf aan de extracten heeft gedaan dan verder geen rol meer heeft gespeeld)Een statistische analyse van deze soort profielen, waarbij zoveel ‘allelic drop-out’ moet worden aangenomen had weinig zin. TrueAllele zal dan geen verband meer zien tussen een spoor en een persoon (pag. 53)
- De computer kijkt vooral naar DNA-kenmerken. De computer kan er wel eens naast zitten. Er kijken vervolgens ook twee specialisten naar de resultaten. Als zij bij heranalyse bepalen dat er wel degelijk sprake is van een kenmerk, dan komt het in het rapport (pag. 53).
- Het zijn extracten met veel afgebroken DNA. Extracten nu (2015) zijn meer verouderd dan ten tijde van het onderzoek van het NFI in 2011. We weten wel zeker dat DNA van het slachtoffer vrij rondzweeft in de bemonsteringen. Het feit dat in het anusuitstrijkje van het slachtoffer haar DNA niet gedetecteerd is en geen match oplevert, heeft natuurlijk te maken met DNA-afbraak. Dat zegt niet dat er geen DNA is. Er heeft mogelijk toch DNA-afbraak plaatsgevonden in die laatste jaren (pag. 54-55).
- IFS heeft gebruik gemaakt van composietprofielen. Bij een composietprofiel neem je alles bij elkaar (pag. 57).
- IFS heeft alle profielen van het NFI verkregen (pag. 57).
- IFS heeft de DNA-profielen van het NFI opgestuurd naar Cybergenetics. Cybergenetics heeft met het programma TrueAllele statistische analyses uitgevoerd op de profielen van het NFI. True-Allele past ook de likelihood-ratio (LR) toe (pag. 60).
- TrueAllele gebruikt informatie over de kans op ‘allelic drop-out’. Dat zijn complexe formules. Er zijn allerlei formules die gebruikt kunnen worden bij de aanname van ‘allelic drop-out’. Kijkend naar de composietprofielen en de ruwe data, kan worden gezien dat ‘allelic drop-out’ ook moet worden aangenomen op een kort DNA-fragment. Dat is minder waarschijnlijk, maar het moet wel worden meegenomen. ‘Allelic drop-out’ kan in beginsel op iedere locus plaatsvinden, maar gemiddeld genomen komt het bij langere fragmenten vaker voor (pag. 62).
- IFS gebruikt ook verbale schalen bij toetsen van hypotheses. Steun, geringe steun, enige steun, betreffen mijn gevoel. Er zitten geen getallen aan vast (pag. 62).
- Er moet voorzichtigheid worden betracht om aan te nemen dat op de plaatsen waar de kenmerken van verdachte ontbreken ‘allelic drop-out’ heeft plaatsgevonden (pag. 63).
- Cybergenetcis heeft de eerste keer alles grof bekeken. Ze hebben een selectie gemaakt van het beste profiel en dat wekenlang geanalyseerd (pag. 71).
- Ik trek de bevindingen van TrueAllele niet in twijfel. Er zit veel minder subjectiviteit in. TrueAllele doet ook subjectieve aannames. Zij doen ook aan ‘allelic drop-out’. Ik weet niet wat het programma precies voor aannames doet. Het is een beetje een ‘black box’ (pag. 72).
- De berekening is gebaseerd op één replica (pag. 72).
- Cybergenetics screent alle losse profielen en vervolgens hebben ze de beste replica gebruikt en daarop heeft de analyse plaatsgevonden (pag. 73).
- Er is gerekend met de pool (pag. 73).
- TrueAllele heeft het profiel gebruikt dat het meest informatief is. Dat is de reden dat met deze replica is gerekend en niet met de andere. Ik kan met zekerheid zeggen dat het poolprofiel is gebruikt (pag. 74).
- Het poolprofiel is een eerlijker weergave van hetgeen er daadwerkelijk in zit dan de losse replica’s (pag. 77).
- Bij TrueAllele bepaalt de computer de kans op stutters en artefacten (pag. 83).
- Ik heb met Mark Perlin van TrueAllele gemaild. Uit de e-mails volgt dat er geen instellingen handmatig worden ingevoerd. Het programma berekent de factoren van ‘allelic drop-out’. Het programma houdt rekening met ‘allelic drop-out’, stotterartefacten. Het aantal donoren kan wel enigszins bijgesteld worden (pag. 91-92).
- Kijkend naar het poolprofiel dan zien we dat er minimaal vijf DNA-kenmerken zichtbaar zijn op meer dan twee locaties en dus weten we daaraan ten minste drie donoren hebben bijgedragen (pag. 92).
- (Hof: Naar aanleiding van een vraag van de officier van justitie over spoor AUA107#06SF en het gegeven dat Eikelenboom in zijn rapport een aantal malen spreekt over “meerdere betrokkenen”)Als er zo weinig bewijswaarde is, heb ik ervoor gekozen om slechts te spreken van betrokkenen. De bewijswaarde van deze sporen is nihil (pag. 112).
- (
- Als ik de statistische analyse bekijk, dan bestaat er steun voor de hypothese dat iemand anders donor is dan Nicole van den Hurk (pag. 78).
- (Hof: In antwoord op de vraag van raadsvrouw mr. Van der Hut of dit ook gezegd kan worden als het om SF-bemonsteringen gaat)Het idee van de stringente lysisfractie is om de overige cellen te scheiden van de spermacellen. Een contaminatie van wattenstaafjes met spermacellen is zeer onwaarschijnlijk. In dit geval hebben we te maken met heel weinig DNA, dus contaminatie is wellicht toch de meest reële verklaring voor het aantreffen van extra pieken. Een persoon kan overigens een man of een vrouw zijn (pag. 78).
- Toen het spoor werd veiliggesteld bestond de eliminatiedatabank nog niet. Toen het tweede deel van het wattenstaafje is onderzocht, in 2011, wel (pag. 78).
- (
- Sperma heeft de grootste kans op overleven, dus dit maakt het wel waarschijnlijker dat het een mannelijke donor was (pag. 80).
- (Hof: In antwoord op de vraag van de jongste rechter of deskundige Eikelenboom de conclusie van het NFI deelt dat een ander persoon donor kan zijn geweest)Deze conclusie deel ik ten aanzien van de drie sporen. De vraag is alleen of het een man of vrouw is. Ik denk dat het een man is geweest gezien de spermafractie en de decompositie (pag. 80).
Zitting rechtbank 13 juni 2016:
(Hof: Geconfronteerd met een passage uit zijn rapport van 3 juni 2016:
- Kijkend naar dezelfde locus op spoor #04SF zie ik op de 3e replica de kenmerken 11, 16 en 17, op de 2e replica de kenmerken 11, 15, 16 en 17 en bij replica 1 (29 + 5) de kenmerken 11, 13, 15, 16 en 17. Dat zijn dus vijf allelen (pag. 17).
- De conclusie mag worden getrokken dat bij twee sporen op dezelfde locus vijf allelen te zien zijn (pag. 17).
- De aanwezigheid van vijf allelen in locus D22 in replica 4 van spoor #06SF is een redelijke zuivere aanwijzing voor drie donoren (pag. 17).
- (Hof: In antwoord op de vraag of de door het NFI gebruikte DNA-profilering methodes gevalideerd en geaccrediteerd zijn.)Ik heb een aantal statistische analyses uitgevoerd. Het NFI beschikt over een gevalideerd programma dat heel gebruikersvriendelijk is. Er bestaat ook een werkversie waarmee uitgebreidere analyses kunnen worden gedaan. De werkversie heet MixCal. Het gevalideerde programma heb ik zojuist op de terechtzitting laten zien en de bewijskracht komt uit dat programma. De werkversie is formeel niet gevalideerd met een validatierapport, maar er is wel uitvoerig onderzocht of het programma dezelfde resultaten geeft als het gevalideerde programma. Validatie komt voor accreditatie (pag. 110).
- Het NFI kijkt of de software goed werkt en of de theoretisch kloppende formules die in het programma zijn ingevoerd goed geprogrammeerd zijn. Er heeft dus een technische validatie plaatsgevonden (pag. 110).
- Op het moment van uitbrengen van het rapport was de software wel grondig gecheckt, maar nog niet gevalideerd. Dit staat ook in het rapport. Uit de berekeningen die zijn uitgevoerd zou nu hetzelfde uitkomen, omdat er sindsdien niets is gewijzigd in het programma (pag. 110).
- De werkversie heb ik in ongeveer 200 tot 300 zaken gebruikt sinds 2013 (pag. 110).
- Er kan gesteld worden dat er verschillende statistische analyses hebben plaatsgevonden, maar deze zijn telkens door hetzelfde programma uitgevoerd. Het programma dat ik zojuist heb laten zien en de werkversie zijn door twee personen onafhankelijk van elkaar geprogrammeerd. Uit beide programma’s komen dezelfde resultaten. Technisch gezien doen de programma’s wat ze moeten doen (pag. 111).
- Er heeft geen externe ‘peer review’ plaatsgevonden. Dat is geen routine, ook niet bij de complexe mengprofielen in dit specifieke geval (pag. 111).
- Er is een nieuw rapport van 3 juni 2016 opgemaakt, omdat in het eerste rapport een vergissing was gemaakt. De allelen 15,3 en 17,3 van de referentieprofielen waren aanvankelijk fout door ons ingegeven als 15,2 en 17,2. Na het constateren van de fout ben ik opnieuw gaan rekenen. De sporen #02SF en #06SF zijn door mij herberekend. Het spoor #04 is niet gewijzigd en dus niet herberekend. De gegevens voor spoor #04SF waren goed ingevoerd. Ik heb dat zelf gecontroleerd (pag. 7-8).
- Ik vond het uitdagende sporen. De piekhoogte en de piekaanwezigheid varieerden sterk tussen de verschillende replica’s (pag. 15-16).
- Ik maakte me over twee dingen zorgen. Ten eerste de variabiliteit van de profielen. Deze zorg was zeker gebaseerd op de data. Mijn andere zorg was de noodzaak om een onbekende persoon in de hypothese op te nemen. Ik had informatie over een onbekende persoon ontvangen in deze zaak. Ik had een beschrijving en analyse gekregen van deze zaak en de consensus voorstellen waarvan ik was gevraagd deze te onderzoeken (pag. 16).
- Ik zeg dat het niet realistisch is om een volledige validatie uit te voeren voor slechts één zaak (pag. 19).
- In antwoord op de vraag van deskundige Eikelenboom welke drop-out-ratio is gebruikt voor STRmix: de drop-out-ratio is berekend in STRmix en deze is verschillend voor elke allele positie. Het is volledig uit het profiel bepaald (pag. 21).
- Het TrueAllele-resultaat verandert het STRmix-resultaat niet (pag. 31).
- Het feit dat TrueAllele alleen aan het poolprofiel heeft gewerkt, zou het verschil in getallen mogelijk kunnen verklaren (pag. 32).
- Koopman benadrukt het belang van replica’s en daarin heeft ze gelijk. Replica’s zijn zeer waardevol bij ‘low template’ DNA. Alles in aanmerking genomen denk ik dat het standpunt van Koopman correcter is aangaande het benadrukken van het belang van replica’s (pag. 33-34).
- Met de toelichting van Buckleton bestaat er bij mij geen twijfel dat de juiste input van bestanden door hem zijn gebruikt. Wij hebben de bestanden per e-mail verstuurd (pag. 9).
- Ik heb vier replica’s opgestuurd, alsook het poolprofiel. Ik heb gezegd dat het poolprofiel niet gezien kan worden als een afzonderlijke replica. Wat mij betreft kunnen de 29+5 replica’s gecombineerd worden met de overige replica’s. Ik hoor Buckleton zeggen dat hij dat ook heeft gedaan. Dat zou valide resultaten moeten opleveren (pag. 10-11).
- Ik zou graag van deskundige Buckleton willen horen wat de betere rekenmethode is: met één poolprofiel (één replica) of met zoveel mogelijk replica’s (pag. 12).
- Van alle drie de sporen hebben we vier replica’s. We hebben gezien dat er bij één spoor (#02SF) een mislukt resultaat (replica) is. De verschillende replica’s moeten vergelijkbaar zijn, dezelfde parameters moeten ingesteld kunnen worden. Het is belangrijk dat Buckleton voor spoor #02SF niet alle replica’s meeneemt in zijn berekening, omdat hij dan een replica toevoegt die mislukt is. Die replica is wel verstrekt aan hem (pag. 12).
- Ik heb voor alle drie sporen de vier replica’s opgestuurd (pag. 13).
- Voor spoor #02SF is het 29+5 profiel dermate afwijkend en van slechte kwaliteit, en bevat het minder informatie, dat ik vind dat het niet te combineren is met de andere replica’s (pag. 13).
- Het model van Buckleton leest al de verschillende replica’s in. Dat was het voordeel ten opzichte van van TrueAllele, dat maar met één replica tegelijk werkt (pag. 15).
- Als STRmix gebruikt moet worden om data te analyseren, dan is het noodzaak om het programma op het laboratorium af te stemmen. Het afstemmen van het model op het laboratorium zal een kleine verandering in de resultaten met zich brengen, maar de verschillen in resultaten zullen volgens Buckleton niet significant zijn (pag. 19).
- Buckleton heeft fouten gemaakt in zijn eerste rapport. Buckleton is echter wel één van de meest vooraanstaande DNA-statistici die met deze modellen werken. Ik heb veel waardering voor zijn rapport, de wijze waarop hij zijn resultaten heeft gepresenteerd en dat hij duidelijk heeft aangegeven waar hij twijfels over heeft (pag. 23)
- Buckleton is een zeer geleerd persoon die zelf dit soort modellen heeft ontwikkeld en de hele geschiedenis van deze DNA-statistische modellen heeft meegemaakt (pag. 23).
- Buckleton heeft geschreven dat in de meest brede zin alle methodes uiterst sterk bewijs suggereren voor de inclusie van AVA
- Buckleton is de ontwerper van STRmix. Het is aan hem om te beoordelen hoe betrouwbaar de data zijn (pag. 19).
- De deskundigheid van Buckleton staat zeker niet ter discussie (pag. 24). De resultaten van LRmix en STRmix komen redelijk met elkaar overeen. TrueAllele heeft enkele afwijkende resultaten laten zien. Dat heeft te maken met alle verschillende variabelen die door TrueAllele (en overigens ook STRmix) worden gebruikt (pag. 24).
- (Hof: De oudste rechter deelt mede dat voor de hypothesen “verdachte, [naam vriend] en een onbekende” versus “ [naam vriend] en twee onbekenden” STRmix op 1,68x10 tot de 14e en MixCal op 4 miljard komt.)In beide gevallen is er zeer veel steun voor de hypothese dat verdachte donor is van het DNA. Er leven zeven miljard mensen op de aarde. Of de kans nu één miljard is of tien miljard, dat maakt niet meer zoveel uit. Het is zeer sterk bewijs (pag. 29).
- Het verschil tussen 1,68x10 tot de 14e en 4 miljard maakt niet dat beide programma’s (of één daarvan) onbetrouwbaar zijn. Het is verklaarbaar uit de verschillen van benadering van de twee modellen. De continue modellen gebruiken zoveel meer informatie, dat als er een match is, dan komt dat veel sterker naar voren. Het verbaast mij niet dat de getallen uit de continue modellen astronomisch hoger zijn dan de getallen uit de binaire modellen (pag. 30).
hof: technisch rechercheur, o.a. belast met het bergen van het lichaam van N. van den Hurk).
- dat in 2004 een haarwortel is onderzocht om autosomaal onderzoek te kunnen uitvoeren, maar dat dat geen profiel heeft opgeleverd;
- dat in 2011 het resterende deel van de haar is onderzocht samen met het deel dat in 2004 onderzocht was en dat leverde allebei hetzelfde mtDNA-profiel op, wat ook te verwachten is bij dezelfde haar;
- dat van de 10 parten van de 1500 bouwstenen van de ‘control region’ er 9 geschikt voor vergelijkend mitochondriaal onderzoek;
- dat er door het NFI niet tegen de detectiegrens is gerapporteerd, dat doet het NFI nooit;
- dat als er een match is de bewijswaarde geëvalueerd wordt omdat bekend is dat het onderscheidend vermogen van mitochondriaal DNA materiaal lager is dan van het autosomale DNA;
- dat hij het mtDNA-profiel heeft vergeleken met de EMPOP-databank, waarin nu ruim 34.000 mtDNA-profielen zijn opgenomen;
- dat er ruim 26.000 mtDNA-profielen voor hetzelfde gebied zijn geanalyseerd en dus bij de vergelijking zijn betrokken;
- dat hij wist, althans het sterke vermoeden had, dat het om een Europeaan ging hij ook nog een vergelijking kan maken met alleen Europeanen in de databank;
- dat hij op grond van de eerste bevinding zou kiezen voor de categorie “zeer veel waarschijnlijker’’ maar hij een categorie lager is gaan zitten vanwege de tweede uitkomst;
- dat de vergelijking op het mitochondriaal DNA-profiel van verdachte met spoor ALA045 1 op 1 handmatig heeft plaatsgevonden;
- dat zijn rapport van 6 november 2013, zoals altijd, is geschaduwd, in dit geval door drie mensen;
- dat het NFI opnamecriteria hanteert voor de databank, waarbij minimaal de fragmenten 2, 3, 6 en 7, de meest polymorfe, moeten worden opgenomen, ze zijn het meest onderscheidend; dat indien één van die vier zou ontbreken het persoon onderscheidend vermogen lager wordt;
- dat de deskundige blijkens een door hem gemaakte tekening, gehecht aan het verhoor, uit gaat van een sterk mtDNA-profiel.
- dat in dit geval van een match wordt gesproken, omdat de profielen met elkaar overeenkomen;
- dat het bij mtDNA-onderzoek van belang is om te weten of het om een zeldzaam mtDNA-spoor gaat of niet;
- dat mtDNA over gaat van een moeder op haar kinderen, daarom veel minder persoonsonderscheidend is en dat om die reden jaren geleden de EMPOP-databank is opgericht;
- dat laboratoria in de EMPOP-databank mtDNA-profielen verzamelen en het een grote verzameling is van niet verwante personen uit de hele wereld;
- dat hij uitkwam bij een likelihood ratio van boven de 10.000, wat zou betekenen dat hij in de schaal ‘zeer veel waarschijnlijker’ komt;
- dat hij, omdat de EMPOP-database nog niet zo groot is en hij aan het mtDNA-spoor kon zien dat het een persoon betrof van Europese afkomst en rekening houdend met het geringe persoonsonderscheidende vermogen van mtDNA heeft gekozen voor de schaal ‘veel waarschijnlijker’; dat hij er verder ook rekening mee moeten houden dat het mtDNA-profiel in de regio waar het feit is gepleegd vaker zal voorkomen en ook om die reden dus een schaal lager is gaan zitten;
- dat in dit geval moet gedacht worden aan boven de 10.000, dus hoog in de schaal ‘veel waarschijnlijker’ en laag in de schaal ‘zeer veel waarschijnlijker’ en hij conservatief in een lagere schaal gaan zitten;
- dat hij geen matches heeft gevonden op grond van de 26.231 vergeleken profielen en dat tot op heden nog steeds geen matches zijn gevonden in de databank;
- dat de opnamecriteria voor de databank die worden gehanteerd, waarover hij in zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard, niet zijn veranderd;
- dat dit betekent dat minimaal de fragmenten 2, 3, 6 en 7, de meest polymorfe, moeten worden opgenomen;
- dat hij die ook heeft aangetroffen bij de match van verdachte en in moederlijke lijn aan hem verwante personen;
- dat hij naast deze vier fragmenten, ook andere fragmenten heeft onderzocht en dat van de 10 fragmenten, er 9 tot een profiel geleid;
- dat het dus 9 sterk onderscheidende fragmenten zijn die overeenkomen met verdachte;
- dat conclusie van waarschijnlijkheid hetzelfde blijft als gerapporteerd;
- dat hij een kleine 700 extra Nederlanders heeft vergeleken, het blijven Europeanen en hij blijft telkens op iets boven de 10.000 uitkomen;
- dat hij ‘veel waarschijnlijker’ echter wetenschappelijk gezien beter kan onderbouwen dan ‘zeer veel waarschijnlijker’;
- dat professor Parson, de beheerder van de EMPOP-databank, bepaalt wie profielen kan toevoegen aan de databank en hij de profielen beoordeelt op kwaliteit en technieken;
- dat de data in de databank van hoog niveau zijn;
- dat ten tijde van zijn eerste zoekslag er 104 Nederlandse mtDNA-profielen waren opgenomen in de database, die door hem, Dieltjes, waren ingestuurd.
(hof: met bijgevoegde tekening).
(het hof begrijpt dat hiermee wordt gedoeld op [naam familielid] ). Er kan niet geoordeeld worden dat het hier een daderspoor betreft.
(hof: bij het verhoor bij de rechtbank is het precieze getal genoemd: 26.231). Omdat hij wist dat het om een Europeaan ging heeft hij nog een vergelijking gemaakt met alle Europeanen in de databank. Op grond van de eerste bevinding zou hij kiezen voor de categorie “zeer veel waarschijnlijker’’ maar hij is een categorie lager gaan zitten vanwege de tweede uitkomst. De vergelijking heeft handmatig plaatsgevonden en het rapport is door drie mensen geschaduwd. De deskundige gaat uit van een sterk mtDNA-profiel.
naar het hof begrijpt: een DNA-mengprofiel)aan ESR te verstrekken, kan derhalve niet tot een ander oordeel leiden.
(hof: van 1 oktober 2013)was de software wel grondig gecheckt maar nog niet gevalideerd. Sindsdien is volgens deskundige Koopman niets gewijzigd in het
(hof: inmiddels gevalideerde)programma: uit de berekeningen die zijn uitgevoerd zou hetzelfde komen.
- naast de pieken met betrekking tot het profiel van verdachte en [naam vriend] blijft er een aantal pieken over;
- de overblijvende pieken zouden kunnen worden toegedicht aan hetzij het slachtoffer, aan artefacten, aan contaminatie of aan samenstellingen daarvan;
- er is een aanwijzing voor een derde persoon, maar niet bekend is wanneer dit celmateriaal is achtergelaten;
- er zijn geen aanwijzingen voor meer dan drie personen;
- de derde persoon kan een man zijn, maar ook een vrouw.
- Uit het extract van de bemonstering AUA107#02SF zijn door IFS enkele DNA-kenmerken verkregen. De technische bewijswaarde van twee van de verkregen DNA-kenmerken is volgens IFS zeer gering. Bij Y-chromosomaal onderzoek aan het extract is één kenmerk verkregen. Er zijn geen aanwijzingen dat er DNA van verdachte in het extract aanwezig is.
- Uit het extract van de bemonstering AUA107#03SF heeft het IFS enkele DNA-kenmerken verkregen. De combinatie van kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen. IFS heeft gerapporteerd dat mogelijk een onbekende persoon een geringe hoeveelheid DNA heeft gedoneerd in het extract. Het extract betreft een spermafractie. Waarschijnlijker is dat het van een man afkomstig is. Dit is ontlastend voor verdachte.
- Van het extract van de bemonstering AUA107#04SF heeft het IFS een zeer partieel DNA-profiel verkregen. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt niet voor in het profiel van verdachte en is daarom ontlastend.
- IFS heeft gerapporteerd uit het extract van de bemonstering van AUA107#07SF een tweetal DNA-kenmerken te hebben verkregen. De combinatie van kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen. Mogelijk heeft een onbekende persoon een zeer geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract. Het extract betreft een spermafractie en daarom is het waarschijnlijker dat dit DNA betreft van een andere onbekende man dan dat het DNA van een vrouw is. Dit is wederom ontlastend voor verdachte.
- Bij Y-chromosomaal onderzoek aan de bemonstering van AUA107#11SF heeft IFS twee DNA-kenmerken verkregen, welke combinatie bij meerdere betrokkenen voorkomt, onder wie [naam vriend] . De twee verkregen DNA-kenmerken komen niet voor bij verdachte.
- IFS heeft van het extract van de bemonstering van AUA107#12NF DNA-mengprofielen verkregen, waaraan tenminste twee personen hebben bijgedragen. Het merendeel van de kenmerken komt voor in het profiel van het slachtoffer, maar daarnaast heeft IFS enkele afwijkende kenmerken aangetroffen van tenminste één man. Het is een man, omdat het kenmerk Y is aangetroffen in het extract. De combinatie van kenmerken komt niet voor in het profiel van verdachte of de overige betrokkenen.
- IFS heeft van het extract van de bemonstering van AUA107#15SF een tweetal DNA-kenmerken verkregen. De combinatie van deze twee kenmerken komt overeen met het profiel van het slachtoffer en een andere (mannelijke) betrokkene, en niet met het profiel van verdachte. Dit is ontlastend.
- IFS heeft van het extract van de bemonstering van AUA107#18SF een tweetal DNA-kenmerken verkregen en bij extract AUA107#19SF een enkel kenmerk. De combinatie van kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen. Het betreft de spermafractie en dit is wederom een sterke aanwijzing dat een andere onbekende man sperma heeft achtergelaten op het kruis van de spijkerbroek van het slachtoffer.
- Van het extract AUA106#02NF zijn door IFS partiële DNA-profielen verkregen, bestaande uit enkele kenmerken. Ten minste één man heeft een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd, er is immers een Y-chromosoom aangetroffen. De combinatie van kenmerken past bij het profiel van de verdachte en twee andere betrokkenen. Mogelijk heeft een van deze drie DNA gedoneerd in het extract. Verdachte scoort in de 100% tabel tussen 0 en 16%, waarbij één van de andere betrokkenen hoger scoort dan verdachte. Er kan niet worden geconcludeerd dat verdachte heeft bijgedragen aan dit extract.
- Met betrekking tot DNA-bemonstering AUA106#03SF heeft IFS net als het NFI partiële DNA-mengprofielen verkregen. Ten minste twee, mogelijk drie personen hebben aan dit spoor bijgedragen. Op het composietprofiel matcht de verdachte met 79% en [naam vriend] met 68%, maar voor een volledige match missen voor beiden een aantal kenmerken.
- Door IFS is een partieel profiel verkregen van de DNA bemonstering AUA106#04SF. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen. Mogelijk heeft een onbekende derde persoon een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract. Het betreft de spermafractie, waardoor het waarschijnlijker is dat het DNA van een man in. Dit is ontlastend voor verdachte.
- Bij het Y-chromosomale onderzoek ten aanzien van bemonstering AWA059#01 heeft IFS slechts enkele Y-chromosomale kenmerken verkregen. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt voor in de profielen van de verdachte en drie andere betrokkenen. De technische bewijswaarde van enkele Y-chromosomale kenmerken is zeer gering. In de optiek van de verdediging van kan dit resultaat dan ook niet voor het bewijs worden gebezigd.
- Ten aanzien van het extract AWA059#02SF heeft IFS een enkel DNA-kenmerk gekregen en door gebruik van LCN-technieken zijn partiële DNA-mengprofielen verkregen. Ten minste twee personen hebben DNA bijgedragen aan dit spoor. De combinatie van verkregen kenmerken komt niet overeen met het profiel van verdachte en de overige betrokkenen. Mogelijk heeft een onbekende persoon een hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract. Bij het Y-chromosomale onderzoek zijn door IFS enkele DNA-kenmerken verkregen. Ten minste één man heeft bijgedragen in het extract. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt overeen met die in de profielen van de verdachte en vier andere betrokkenen. De technische bewijswaarde van enkele Y-chromosomale DNA-kenmerken is gering. Dit resultaat kan naar het oordeel van de verdediging dan ook niet bijdragen aan het bewijs.
- Door IFS zijn in de bemonstering AWA059#05SF enkele DNA-kenmerken verkregen. De combinatie van verkregen autosomale DNA-kenmerken komt niet overeen met die in het profiel van het slachtoffer, de verdachte en overige betrokkenen. Bij het Y-chromosomaal onderzoek zijn partiële DNA-mengprofielen verkregen. Er is geen match geconstateerd met de profielen van het slachtoffer, de verdachte en overige betrokkenen. Omdat het de spermafractie betreft heeft mogelijk een onbekende man een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract AWA059#05SF.
- dat de 100% tabellen ter illustratie zijn;
- er zijn geen matches weergegeven;
- een 100% tabel slechts het aantal kenmerken dat een betrokkene of verdachte overeenkomend heeft met het zogeheten composietprofiel aangeeft.
Standpunten procespartijen
(hof: herhalingsgevaar) aan de orde was in 1995.
(hof: toeziend voogd), en
(hof: artikel 2, eerste lid onder b van de EU-richtlijn): de echtgenoot, de persoon die met het slachtoffer in een vaste intieme relatie, in een gemeenschappelijk huishouden en duurzaam en ononderbroken samenwoont, de bloedverwanten in rechte lijn, de broers en zussen, en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn. De terminologie «de persoon die met het slachtoffer in een intieme relatie, in een gemeenschappelijk huishouden en duurzaam en ononderbroken samenwoont» is in Nederland niet gebruikelijk. De bedoelde groep is te scharen onder de in het Nederlands recht gebruikte begrippen «geregistreerde partner of een andere levensgezel», aldus de Minister van Veiligheid en Justitie. In één opzicht is de kring in artikel 51e Sv ruimer dan in de richtlijn. Dit artikel omvat bloedverwanten in de zijlijn «tot de vierde graad ingesloten», terwijl de richtlijn zich beperkt tot broers en zussen (artikel 2, eerste lid, onder b). De Minister van Veiligheid en Justitie handhaaft de bredere Nederlandse kring van bloedverwanten in de zijlijn, door de definitie van familieleden uit te breiden met deze groep.
(het hof begrijpt dat hij bedoelt: op basis van artikel 51f, eerste lid, Sv), is het hof van oordeel dat de door [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] gevorderde schades niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade in de zin van de wet.
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) jaren.