Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
- Ik trek de procedure gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot teruggaaf BPM in. Dit betreft het hoger beroep met het kenmerk 17/00851.
- Op 30 januari 2012 was nog niet bekend wat met de auto zou gebeuren. De (pre)registratie in het kentekenregister heeft plaatsgevonden met het doel om een kenteken voor de auto te verkrijgen. Auto’s verkopen namelijk, vanwege diverse redenen, beter als deze over een kenteken beschikken.
- De auto is op 26 oktober 2013 in het kentekenregister op naam van belanghebbende gesteld uitsluitend met het doel om dit voertuig vervolgens te kunnen exporteren.
- In de periode 1 juli 2012 tot 1 april 2014 bedroeg de wettelijke rente 3%.
- Ik betwist niet dat belanghebbende het verzoek tot teruggaaf BPM op 13 november 2013 naar Postbus 90057, 5600 PL, Eindhoven heeft verzonden. Gelet op de omstandigheid dat dit overeenstemt met het adres dat op de brief van 28 mei 2015 (zie onderdeel 2.8) is vermeld, kan gebruik van dit onjuiste adres belanghebbende niet worden tegengeworpen. U kunt er bij de berekening van de ex artikel 30ha van de AWR verschuldigde belastingrente vanuit gaan dat voornoemd verzoek op 13 november 2013 is ontvangen.
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaarthet hoger beroep gegrond;
- vernietigtde uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op de beschikking belastingrente;
- verklaarthet tegen de uitspraak van de Inspecteur ter zake van de beschikking belastingrente ingestelde beroep gegrond;
- vernietigtde uitspraak van de Inspecteur ter zake van de beschikking belastingrente;
- wijzigtde beschikking heffingsrente in die zin, dat de Inspecteur belastingrente vergoedt ter zake van de teruggaaf ter hoogte van € 6.656 over de periode die aanvangt op 1 april 2014 en eindigt op 11 juni 2015;
- gelastdat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrag van, in totaal, € 292 vergoedt;
- veroordeeltde Inspecteur in de kosten van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 609,57; en
- veroordeeltde Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 2.179,80.