Belanghebbende diende een aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2013 in met een onjuist bedrag aan te verrekenen verliezen. De Inspecteur legde daarop een voorlopige aanslag op conform deze aangifte. Ruim twee jaar later werd de aangifte onderzocht en een definitieve aanslag opgelegd waarbij het bedrag aan te verrekenen verliezen werd gecorrigeerd. Belanghebbende betoogde dat de belastingrente die over deze periode werd berekend, gematigd diende te worden omdat de Inspecteur de aangifte te lang had laten liggen.
De Rechtbank oordeelde dat de Inspecteur binnen de wettelijke termijn handelde en dat de belastingrente correct was berekend. Het hof onderschrijft deze overwegingen en benadrukt dat de Inspecteur bij het opleggen van een definitieve aanslag zorgvuldigheid moet betrachten en een zekere vrijheid heeft in de prioritering van aangiften. Het feit dat de fout in de aangifte direct had kunnen worden geconstateerd, leidt niet tot een verplichting om binnen drie maanden een definitieve aanslag op te leggen.
Het hof wijst ook op het Besluit van de staatssecretaris inzake heffingsrente, waarin wordt gesteld dat belastingrente beperkt wordt als de Inspecteur niet binnen drie maanden na aangifte een aanslag oplegt, maar dit betreft niet situaties waarin de belastingschuld hoger wordt vastgesteld dan in de aangifte. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.