Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/317642)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis, althans aanvulling van de gronden van de vordering met productie;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
3.De beoordeling
Uitsluiting vermogensrechtelijke gemeenschap
- € 100.000,-- althans een door het hof in redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag, te vermeerderen met de rente “tot aan heden tot aan de dag van algehele voldoening” althans een beslissing te geven als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;
- de proceskosten in eerste instantie en in hoger beroep.
- € 143.893,25 althans het bedrag dat het hof in goede justitie zal vermenen te behoren;
- de proceskosten in eerste instantie en in hoger beroep.
- de inspanningen van de man voor de onderneming van de vrouw (grief 16);
- de afwijzing van de vordering in reconventie (grief I).
vrouwheeft de grieven bestreden. Zij heeft hiertoe het volgende, samengevat, aangevoerd.
hofoordeelt als volgt.
doch de wijze waarop ieder daarvoor geld verstrekt en de mate waarin ieder die kosten draagt, worden door partijen in onderling overleg vastgesteld(curs. hof). Partijen dienen derhalve in onderling overleg vast te stellen:
rechtbankheeft de vordering van de man voor wat betreft de kosten van de huishouding, voor zover deze gebaseerd is op onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe in rov. 4.9. dat sprake was van een stilzwijgende afspraak tussen partijen over de besteding van de gezamenlijke inkomsten (zie rov. 3.4.1. van het hof hiervóór) daarmee een rechtsgrond voor de betalingen was gegeven en dus geen sprake was van onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking.
manvoert ter bestrijding van deze overweging aan dat geen sprake is van een (stilzwijgende) afspraak tussen partijen. De betalingen vonden niet plaats op grond van een overeenkomst als bedoeld in art. 3 lid 1 van Pro de samenlevingsovereenkomst, maar op grond van de “door de vrouw regelmatig uitgesproken verwachting dat zij “samen oud zouden worden” zodat op korte termijn een volledige financiële versmelting zou plaatsvinden zodat er geen reden was uitvoering te geven aan diverse bepalingen van de samenlevingsovereenkomst. Die rechtsgrond (en dàt was de rechtsgrond) is aan de zeer forse betalingen door de man verricht ontvallen”.
vrouwheeft de grief bestreden.
hofheeft in rov. 3.4.4.5. hiervóór geoordeeld dat tussen partijen een stilzwijgende afspraak tot stand is gekomen over de kosten van de huishouding. Deze afspraak vormt de grondslag voor de door partijen gedane betalingen voor de kosten van de huishouding. Van ongerechtvaardigde verrijking (een verrijking indien daarvoor geen redelijke grond aanwezig is, art. 6:212 BW Pro) noch van onverschuldigde betaling (betaling zonder rechtsgrond, art. 6:203 BW Pro) is derhalve geen sprake nu een rechtsgrond voor die betalingen is gelegen in de (stilzwijgende) afspraken van partijen. Grief 14 faalt mitsdien.
rechtbankkan die bepaling niet dienen als grondslag voor de vordering van de man. De rechtbank overwoog daartoe in rov. 4.10:
inkomenheeft bijgedragen aan de kosten der huishouding, waarmee hij de vordering derhalve niet baseert op vermogensverschuiving.”
manvoert ter bestrijding van dit oordeel met zijn grieven 10 en 15 (een veeggrief) het volgende, samengevat, aan.
vrouwheeft de grieven bestreden.
hofoverweegt als volgt.
manstelt dat ingevolge art. 5 lid 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst de vrouw diende bij te dragen in de woonlasten (hypotheekrente, tuin, verzekeringen en dergelijke) in verhouding tot haar aandeel in de mede-eigendom van 5/7. De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met die verplichting.
vrouwheeft de grief weersproken.
hofoverweegt als volgt. De grief kan, gelet op de inhoud van art. 5 lid 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst, slechts betrekking hebben op de aan het woongenot verbonden kosten. Gelet op de eigendomsverhouding van partijen voor wat betreft de woning, was de man gehouden 2/7 en de vrouw 5/7 van de woonkosten te voldoen.
manstelt dat de vrouw aanzienlijk vermogen heeft kunnen vormen door de aflossing van de overbruggingslening en het spaarsaldo. Dit vermogen is in overwegende mate (althans in ieder geval mede) gevormd door betalingen die afkomstig zijn van haar privérekeningen die mede werden gevoed door de man. Indien het door de man becijferde bedrag (door hem in hoger beroep beperkt tot € 100.000,--) niet wordt toegewezen vordert de man dat het hof een bedrag in redelijkheid en billijkheid vaststelt dat de vrouw op basis van art. 1 lid 2 en Pro/of art. 5 lid 3 van Pro de samenlevingsovereenkomst aan de man verschuldigd is.
manbetoogt met zijn negende grief dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de omstandigheid dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt doordat de man zijn volledige inkomen aan de vrouw ter beschikking stelde en de vrouw hierdoor de overbruggingslening aanzienlijk heeft afgelost. Bij verkoop van de woning komt het voordeel hiervan uitsluitend toe aan de vrouw. Dit is een vermogensverschuiving die plaats vindt ten laste van het vermogen van de man.
vrouwbetwist dat de man zijn volledige inkomen aan haar ter beschikking heeft gesteld en zij daardoor in staat is geweest af te lossen op de overbruggingslening. Deze aflossingen zijn voldaan uit de huuropbrengst van de woning van de vrouw. De rechtbank heeft terecht overwogen dat sprake was van een langdurige affectieve relatie waarin vrijwillig bedragen werden overgeboekt en sprake was van stilzwijgende afspraken van partijen.
hofoverweegt als volgt. Niet is komen vast te staan dat de vrouw met de gelden afkomstig van de man de overbruggingslening voor een (groot) gedeelte heeft afgelost. Het hof verwijst daartoe naar zijn rov. 3.6.4. en verder en 3.7.3. hiervóór. Reeds daarmee faalt grief 9.
rechtbankheeft in rov. 4.14. overwogen dat de onderneming van de vrouw mogelijk enig voordeel heeft gehad van het feit dat deze in de woning van partijen was gevestigd. Desondanks is de vordering van de man afgewezen. De rechtbank overwoog hiertoe:
manstelt dat de rechtbank zijn vordering sub iii ten onrechte heeft afgewezen. De omstandigheid dat de onderneming werd gedreven in de vorm van een vennootschap onder firma, doet niet af aan de omstandigheid dat de vrouw, als winstgerechtigde in die vennootschap, voordeel heeft genoten van de omstandigheid dat haar onderneming in de woning was gevestigd; sprake was van kosteloze huisvesting.
vrouwbetoogt dat de grief moet worden afgewezen.
hofoverweegt als volgt. Niet in geschil is dat de onderneming , een vennootschap onder firma waarvan de vrouw een van de firmanten was, was gehuisvest in de woning van partijen. Dat partijen kennelijk geen huisvestingskosten in rekening brachten bij de vennootschap onder firma, heeft naar het oordeel van het hof geleid tot een financieel voordeel van de vennootschap onder firma. Dat de vrouw als winstgerechtigde, zoals de man ook heeft bepleit, ook daar zelf voordeel van heeft genoten, is in zoverre juist. De man heeft evenwel nagelaten te concretiseren (terwijl op hem krachtens art. 150 Rv Pro de stelplicht rustte) in hoeverre de vrouw voordeel heeft genoten van het door de man zelf berekende en aan de huisvestingskosten van de
onderneming(curs. hof) toegerekende bedrag van € 18.311,25. Dit klemt te meer nu de vrouw heeft aangevoerd dat de man de ruimte ook gebruikte voor privé doeleinden hetgeen de man niet c.q. onvoldoende heeft betwist. Grief 16 faalt mitsdien.
rechtbankheeft in rov. 4.5. overwogen:
vrouwbetoogt met haar grief dat de rechtbank ten onrechte haar vordering in reconventie heeft afgewezen. Zij verwijst naar het bepaalde in art. 5 lid 4 van Pro de samenlevingsovereenkomst. Bij het aangaan van de samenwoning was het partijen bekend dat een overbruggingslening noodzakelijk was. In dat licht bezien moet art. 5 lid 4 van Pro de samenlevingsovereenkomst worden beoordeeld.
manbetwist de vordering van de vrouw.
hofoverweegt als volgt. De vrouw baseert haar vordering op het bepaalde in art 5 lid 4 van Pro de samenlevingsovereenkomst.
eigen middelen(curs. hof) meer dan het gedeelte dat haar aangaat (5/7 deel = € 371.428,57) de koopsom en de daaraan verbonden kosten heeft betaald, zij voor dat meerdere een vordering heeft op de man.