Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
-
verklaarthet hoger beroep ongegrond;
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM, een vergrijpboete en belastingrente. Na een lange procedure werd het bezwaar gedeeltelijk toegewezen, maar het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd door de rechtbank afgewezen.
In hoger beroep stond alleen de vraag centraal of de redelijke termijn was overschreden. Het hof stelde vast dat de termijn van twee jaar voor berechting was overschreden, maar achtte bijzondere omstandigheden aanwezig die een verlenging van 18 maanden rechtvaardigen. Deze bijzondere omstandigheden betroffen de periode waarin belanghebbende de motivering van het bezwaar moest voorbereiden en de Inspecteur niet tijdig reageerde op een verzoek om uitstel.
De totale redelijke termijn bedroeg daarmee 42 maanden, terwijl de feitelijke duur 41 maanden was. Het hof concludeerde dat de redelijke termijn niet was overschreden en bevestigde de afwijzing van de immateriële schadevergoeding. Tevens wees het hof het verzoek tot vergoeding van het griffierecht in hoger beroep af en veroordeelde partijen niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.